|
|
|
|
In het nieuws
|
|
|
| |
|
Irak:
Nederlandse media gijzelen zichzelf
In; Internationale
Spectator, december 2004, p.3/4
De eigen
nieuwsgaring door Nederlandse media in Irak staat in verhouding tot de
hoeveelheid meningen, analyses, hoofdartikelen en columns als een
dwerg tot een reus. Een wanverhouding dus. Met name op televisie
wreekt zich deze wanverhouding. Het resultaat is namelijk dat de tv
vooral beelden uitzendt die het binnenkrijgt van persbureaus of Al
Jazeera of, helemaal gratis, van de kant van terroristen zelf die de
camera graag hanteren in hun strijd. Het zijn vooral beelden van
aanslagen, of van gegijzelde burgers van lidstaten van de Coalition
of the Willing die hun regering smeken om in te gaan op de eisen
van de gijzelnemers. Deze dubieuze emo-tv kan alleen maar het gevoel
versterken dat Amerika, en Nederland ook, in een steeds uitzichtlozer
oorlog is beland waaruit we zo snel mogelijk moeten terugtrekken.
In tegenstelling
tot de oorlogen op de Balkan zijn er nu nauwelijks tot geen
Nederlandse journalisten permanent in Irak. Niet in Bagdad, en niet
bij de Nederlandse troepen in het zuiden. Om twee redenen niet: de
media beschouwen het als te gevaarlijk, en het ministerie van Defensie
is ook niet erg behulpzaam als het gaat om facilitering van
journalisten die langer willen blijven dan de duur van het geheel
geplande bliksembezoekje in het kielzog van de premier of de minister.
Zowel voor het
ministerie als de media geldt dat de risico’s te groot worden
bevonden. Dat was vroeger anders. Dat oorlogsverslaggeverij gevaarlijk
is was altijd al bekend, maar lang was er bereidheid de risico’s te
nemen, zeker als er enige garantie was van militaire bescherming en
steun bij transport. Maar ook zonder garanties waren kranten en
omroepen bij sommige (burger)oorlogen bereid grote risico’s te
aanvaarden wegens het grote belang dat werd gehecht aan ‘de
waarheid’ over die oorlog ver weg. Ook nog nadat de
oorlogscorrespondenten al lang de status van het neutrale Rode Kruis
was ontnomen. Door te veel engagement van hen zelf – wat duidelijk
werd door de moord op de Ikon-journalisten in El Salvador begin jaren
tachtig – en door het besef van de strijdende partijen dat de media
een veel te belangrijk tactisch middel zijn in de strijd om die
neutrale status te respecteren.
Tijdens de
burgeroorlogen op de Balkan hebben alle oorlogsverslaggevers puur
geluk gehad. Je kon er gemakkelijk komen: je stapte in je auto en de
volgende avond was je er. Op de Balkan zwierven dan ook talloze
freelancers rond. Maar ook de kranten en omroepen hadden er permanent
hun eigen mensen zitten, wegens het slopende werk veelal in
estafette-dienst. Groter dan het geluk van de nabijheid was het geluk
dat – met name de Serviërs – liever blauwhelmen gijzelden dan
journalisten, ook al was dat punt tijdens de bombardementen op
Belgrado nabij.
Na deze oorlogen
beseften de hoofdredacties dat ze door het oog van de naald waren
gekropen. Dat besef groeide nog toen in de War
on Terror Afghanistan werd binnengevallen. Een konvooi
journalisten dat – na verdrijving van de Talibaan – van Peshawar
hoopvol op weg ging naar Kaboel werd zonder aarzeling beschoten: vier
doden. Net als tijdens de Golfoorlog van 1991 verdwenen na het begin
van de oorlog in Irak de meeste journalisten toen de Amerikanen Bagdad
naderden en het te gevaarlijk werd om te blijven. Uit eigen beweging
of op last van de hoofdredacties. Eigen veiligheid eerst is niet
alleen het devies van de Amerikaanse en Britse soldaten nu in Irak,
maar ook van de oorlogsverslaggevers. Slechts een enkeling, zoals
Arnold Karskens (Nieuwe Revue),
durfde langer te blijven.
De kranten en omroepen vinden het nu simpelweg te gevaarlijk om eigen
mensen daar permanent te stationeren. Om de morele reden dat men de
levens van eigen medewerkers niet in gevaar wil brengen, en uit angst
voor de financiële gevolgen: exorbitante verzekeringspremies en het
risico vele miljoenen te moeten betalen als ze gegijzeld zouden
worden. NRC Handelsblad ging aanvankelijk zelfs zover het om deze reden ook
onethisch te vinden om stukken van Nederlandse freelancers te
accepteren, die wel het gevaar willen lopen gegijzeld of gedood te
worden. Wellicht ook omdat ze vrezen dan alsnog in een Artsen zonder
Grenzen/Arjan Erkel-situatie terecht te kunnen komen.
Zo is er nauwelijks nog geregelde Nederlandse berichtgeving over
Bagdad en Irak, noch over de Nederlandse troepenmacht in het zuiden.
De kwaliteitskranten, en het Journaal, laten af ten toe de
correspondent uit Teheran naar Bagdad reizen. De correspondent van
Radio 1 bericht voornamelijk vanuit Amman, op basis van (vermoedelijk)
telefonische contacten met Bagdad, en (waarschijnlijk) wat Al Jazeera
meldt over wat daar zoal gebeurt.
Wat is het gevolg?
De gevolgen zijn verschillend voor de kwaliteitskranten en radio en
televisie. De eerste hebben nog genoeg eigen expertise op de redactie
om op basis van eigen kennis en de informatie van buitenlandse
persbureaus een vakkundig bericht of analyse te schrijven. Op de
televisieredacties is deze expertise veel minder voorhanden. Intussen
wordt Hilversum wel overspoeld met beelden. Beelden van Al Jazeera. Of
beelden waarvan de bron zeer onduidelijk is – tegenwoordig kan
immers iedereen met een digitale camera en een telefoon beelden over
de wereld zenden. En steeds vaker met beelden die openlijk uit de
camera’s van de terroristen/opstandelingen komen en de onthoofding
of smeekbedes tonen van gegijzelde Britten of Amerikanen (gegijzelde
of gedode Japanners en Nepalezen lijken minder interessant voor onze
media).
De onmisbaarheid
van de media voor het terrorisme is alom bekend. De juiste omgang van
de media met nieuws en beelden hierover vormt een van de moeilijkste
dilemma’s voor elke redactie. De vraag blijft: wel of niet
uitzenden, en zo ja hoe? Een voorbeeld. Het NOS
Journaal vertoonde in september de héle smeekbede van de
gegijzelde Brit aan premier Blair, in alle ochtendbulletins. Waaróm
werd de kijker niet duidelijk. Omdat het ‘nieuws’ was? Omdat de
beelden er nu eenmaal waren? Of ook om de suggestie te wekken dat
Blair een onmens is die niet genoeg doet voor zijn gegijzelde
landgenoten? Het enige effect van dit soort beelden lijkt te zijn:
emotionalisering en tegelijkertijd bevestiging van het idee dat deze
oorlog een ellendige vergissing is.
Deze situatie van te weinig informatie van eigen mensen ter plekke en
te veel gratis aangeleverde emotiebeelden, ook door de
terroristen/opstandelingen, maakt de vraag naar de invloed van de
media op oorlog en op de publieke opinie over oorlog nog klemmender
dan die vanaf het begin van de Irak-oorlog al was. Hebben de
Nederlandse media zich, net als de Amerikaanse, destijds laten
‘inpakken’ door ‘de propagandamachine’ van de regering-Bush?
The
New York Times heeft, via de pen van verslaggever Judith Miller,
te veel de regeringskoers over Irak gevolgd. De krant heeft daar deze
zomer, in een soort mea culpa, afstand van genomen. In het artikel
‘De Republikeinse lawaaimachine’ citeert Washington-correspondent
Marc Chavannes van NRC
Handelsblad (M, september 2004) CNN-sterverslaggever Christiane
Amanpour: ‘Mijn zender werd geïntimideerd door de regering en door
haar infanteristen bij Fox News. Het gevolg was: angst en
zelfcensuur’.
Maar hoe staat het met de Nederlandse media? Hebben zij ook reden om
de hand in eigen boezem te steken als het gaat om de berichtgeving en
beoordeling van de weg naar de oorlog en het uitbreken ervan? Een
voorbeeld, ook NRC Handelsblad.
Dat schreef direct nadat de oorlog was uitgebroken, op 20 maart 2003
een hoofdartikel met als titel: ‘Aanval geopend’. De krant
twijfelde aan de casus belli. Het ware beter geweest dat, dat en dat,
een paar alinea’s lang. Maar de conclusie was duidelijk: ‘Nu de
oorlog is begonnen, moeten president Bush en premier Blair worden
gesteund. Die steun kan niet blijven steken in verbale
vrijblijvendheid. Dat betekent dus politieke steun – en als het moet
ook militaire’.
Hoewel een
terugblik op de ontwikkeling van de eigen meningsvorming altijd nuttig
is, zie ik geen reden waarom de krant nu hiervoor een mea culpa moet
uitspreken. De berichtgeving en de beoordeling van de weg naar de
oorlog toe was niet te vergelijken met de dominante oorlogstoon in de
Amerikaanse media. En dat is begrijpelijk. Wij hebben de emotionele
schok over de Twin Towers niet zo gevoeld als de Amerikanen. Wij
stonden aan de zijlijn, wat een comfortabele positie is om vooral
kritisch over de gang van zaken te schrijven.
Het is eerder zo
dat de Nederlandse media, door de bank genomen, voornamelijk kritisch
schreven, en bleven schrijven, zeker de ontelbare columnisten die
nagenoeg allemaal bijna elke column vulden met Irak en nagenoeg bijna
allemaal tegen deze oorlog waren.
En de columns in de krant zijn te vergelijken met de ‘emo-beelden’
die Hilversum aangeleverd krijgt. Zij omringen de informatie met de
suggestie wat we ervan moeten vinden. Ook de abonnees van de
kwaliteitskranten lezen steeds minder in hun krant. Door het ontbreken
van permanente eigen verslaggevers te velde, komt het blijvend grote
aanbod aan (vertaalde) informatie en eigen analyses als onregelmatiger
en ongerichter over. En dat zal de ontvankelijkheid voor de
‘emo-beelden’ die de televisie uitzendt alleen maar versterken.
Het nadelige gevolg van de overigens begrijpelijke weigering om
permanent eigen verslaggevers in Irak te stationeren – waardoor ook
het beeld van het werk van de Nederlandse troepen onhelder blijft –
is wel dat de media in feite zichzelf gijzelen. En dat de publieke
opinie meer beheerst wordt door meningen over dan door feiten over
Irak.
Henri Beunders
Hoogleraar
geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus
Universiteit Rotterdam |
| |
|
|
|
|
|
|
Op deze pagina vindt u een
artikel, dat in het decembernummer van de Internationale Spectator zal
verschijnen
| - Artikel, Irak:
Nederlandse media gijzelen zichzelf, december 2004 |
| - Lezing, De
beklemmende elite en Andre hazes, 2 oktober 2004 |
| - Artikel de Gids, Nederlanders
zijn anti-koloniaal of het verlangen naar getto's, mei/juni 2004 |
| - Ingezonden brief,
Columnisten tonen liever hun
gelijk dan hun hart, de Volkskrant, 26 maart 2004 |
| - Artikel, het
verleden is een koektrommel? de Volkskrant, 25 februari 2004 |
| - Ingezonden brief,
Waarom die taboeïsering van het
Huis der Historie? de Volkskrant, 25 februari 2003 |
| - Artikel,
Fragment, Trouw 3 maart 2003 |
|
| - Opinie,
Beheerst
weldenkend, NRC Handelsblad 1 februari 2003 |
| - Opinie, Met
Cohen is het nu Amsterdam vs Rotterdam, Volkskrant, 21 januari
2003 |
| - Opinie,
De verstandige kiezer bestaat niet, 17 januari 2003 |
| - Opinie, The
medium is not the message, Volkskrant 14 januari 2003 |
| - Interview,
Het dedain
van de elite stoort mij enorm, Groene Amsterdammer, 21 december 2002 |
| - Opinie,
Florida-toestanden dreigen
bij verkiezingen, 25 November 2002 |
| - Artikel,
Elite: stop het schelden,
19 september 2002 |
| - Artikel,
De indruk van een afdruk, 17
augustus 2002 |
| - Artikel,
De koploze revolutie in Fort
Knox, 15 mei 2002, 23.30 uur |
| -
Opinie AD, De 151e zetel voor
Pim, 7 mei 2002 |
| - Een
ooggetuigeverslag 6 mei
2002 |
| - Interview
P magazine, De onstuitbare
opmars van de emotiecultuur - mei 2002 |
| - Artikel,
the medium is not the message,
5 mei 2002 |
| - Interview
Humanist, mei 2002 |
| - Interview
Erasmus Magazine - 25 april
2002 |
| - Artikel,
Kern Fortuyn's succes:
reactionair modernisme - NRC, 23 maart 2002 |
| - Opinie,
Journalisten moeten pen scherpen
- Volkskrant, 13 maart 2002 |
| - Interview
Flair magazine - maart 2002 |
| - Interview
HP de Tijd - 15 februari 2002 |
| - Opinie,
Fortuyn en de
Emo-revolutie - Trouw, 13 februari 2002 |
| - De Maxima Show -
Elsevier 9 februari 2002 |
| - Interview
Volkskrant - 2 februari 2002 |
Alle documenten zijn
beschikbaar in PDF formaat. U heeft hier Acrobat Reader voor nodig.
Wanneer u dit nog niet heeft geïnstalleerd kunt u het
hier gratis downloaden.

|