Media Matters

 

home | e-mail | English | Zoeken

In het nieuws
Publicaties         
 Boeken
 Artikelen
 Recensies
Persoonlijk           
Interactief
Contact
In het nieuws - Interview Erasmus Magazine

Henri Beunders over de rol van de media in het Srebrenica-drama
Tekst Hans E. Merts

Na de publicatie van het NIOD-rapport over Srebrenica ‘Een veilig gebied’ heeft het tweede kabinet-Kok zijn conclusies getrokken en is afgetreden. De politiek is schuldig. Maar ook de media treffen blaam. Een gesprek met Henri Beunders, hoogleraar Geschiedenis van maatschappij, media en cultuur, over de rol van de journalistiek in het Srebrenica-drama

Is het NIOD-rapport een proeve van waarheidsvinding of ‘een politiek rapport’, zoals de burgemeester van Srebrenica stelt?

”Ik neem mijn petje af voor het onderzoek. Het is dramatische lectuur, soms alsnog onthullend zoals over de armoedige rol van de, ontbrekende, inlichtingendienst te velde. De hoofdschuldige is aangewezen: de politiek, en terecht. Ik zie slechts enkele schoonheidsfoutjes, zoals de onmacht de Franse rol te kunnen onderzoeken. En onduidelijkheid over de invloed van de media en publieke opinie op parlement en kabinet om Dutchbat op ‘mission impossible’ te sturen’. Daarover is het NIOD tegenstrijdig. Blom zei bij de presentatie dat ‘het kabinet zelf’ tot uitzending besloot en niet onder druk van parlement of de media. In de conclusies van het rapport zelf wordt vastgesteld ‘dat de politiek-publicitaire constellatie verregaande consequenties had’: men stelde Dutchbat beschikbaar zonder over de gevolgen na te denken. De invloed van de publieke opinie op de politiek blijft dus helaas onduidelijk.”

Precies een jaar na de val van Srebrenica vroeg u in uw artikel ‘Het Verloren Vaderland’ in NRC Handelsblad: ‘hadden we dit drama kunnen voorzien?’, en u beantwoordt die vraag vervolgens bevestigend. Was die stelligheid geen makkelijk praten achteraf?

”Nee. In ’92 en ’93 heb ik diverse malen in opiniestukken en in debat met bijvoorbeeld Voorhoeve gezegd dat het lichtzinnig naief was om Dutchbat naar de Balkan te sturen, meer als EHBO-ers dan als goeduitgeruste militairen met een duidelijk doel. En zonder de bereidheid bij Dutchbat én in de publieke opinie om onze jongens daar te zien sneuvelen voor het goede doel. U kunt dat in het rapport nalezen.”

U sprak toen verder over de ‘morele noodsituatie’ van de Dutchbatters ter plekke en verdedigde hun handelen als gevolg het bekende psychologische proces van ‘signalen niet binnen laten, loochening, ontkenning, rationalisering, verdringen en aanwijzing van zondebokken’. Gebeurt nu niet hetzelfde, nu professor Blom de schuld keurig verdeelt over politiek en landmachttop. Is hij niet de polderprofessor als verlosser van een eeuwig bevlekt nationaal geweten?

”Hoho..., haal niet alles door elkaar. Ik verdedigde na afloop Dutchbat niet omdat ik hun collaboratie met de massamoord goedkeurde, integendeel. Ik ben ooit – ten tijde vanVietnam - geschiedenis gaan studeren om voor mijzelf de vraag te beantwoorden: zou ik mensen kunnen doodschieten om anderen te redden? En mijn antwoord was en is ‘ja’. Wat mij na juli 1995 zo ergerde was de unisono veroordeling van Dutchbat als stelletje lafbekken door diegenen die in ’92 en ’93 zo fel opriepen tot uitzending. Toneelschrijvers Guus Vleugel en Ton Vorstenbosch vertolkten die goedkope praatjes in hun walgelijke voorstelling ‘Srebrenica!’, ook uitgezonden op tv. De Dutchbatters werden neergezet als materialistische racisten, tv-junks op de skaibank thuis, met hoerige, geldwolverige moeders met blond opgestoken haar.
Gelukkig heeft Blom dat voze beeld nu bijgesteld door de ‘duivelse dilemma’s’ haarfijn te beschrijven en de schuld te leggen bij politiek en defensie. Dat is geen polderoplossing maar een hard oordeel, met grote politieke gevolgen.”

U was in 1984 de eerste promovendus bij Blom en heeft hem toch wel eens een polderprofessor genoemd: voorzichtig en beleefd, een consensuszoeker.

”Dat ‘polderprofessor’ kan ik mij niet herinneren, de overige kwalificaties wel. Maar dat hij allerlei projecten, zoals dit, voor elkaar krijgt door goed te netwerken en de juiste steun te verwerven, wil nog niet zeggen dat hij niet ook hard en scherp kan zijn. Dat bleek wel tijdens de presentatie van het onderzoeksrapport in de Ridderzaal. De gezichten van de aanwezigen, van hoog tot laag, stonden grijs van de spanning wat de opvolger van Lou de Jong zou oordelen. Dat deed hij zelfbewust en superieur.”

Bij een oorlog is de waarheid het eerste slachtoffer, aldus Philip Knightley in ‘The First Casualty’ over oorlogsverslaggeving. Volgens hem worden in een democratie met een sterke, kritische pers de media niet gedwongen de oorlog te steunen. Hoe is de Nederlandse traditie?

”Niet zo best, zoals u in het boek van oorlogsverslaggever Arnold Karskens, ‘Met pleisters op de ogen’, kunt lezen. Voor en na Srebrenica waren de media sterk betrokken, wat goed is, maar ook moralistisch en vaak zonder voldoende besef van de realiteit op de Balkan. Het NIOD-rapport laat ook goed zien hoe dit bij kwaliteitskranten en tv-rubrieken uitwerkte: de redacties thuis wilden de politieke lijn doordrukken, soms ten koste van wat de verslaggevers ter plekke meldden. Sommige feiten wilde men gewoon niet horen, zoals het feit dat in de enclave veel gewapende moslims waren die de enclave als uitvalsbasis gebruikten in de strijd tegen de Serviërs. Ik heb in november 1989 hetzelfde meegemaakt toen ik als journalist vanuit Leipzig opgewonden maar overtuigd schreef dat daar, na de Val van de Muur, de echte revolutie was begonnen, namelijk de hereniging van Duitsland. Op de krant geloofde men mij niet en zette het verhaal op pagina zoveel. De beste verslaggeving krijg je als verslaggever en bureauredacteur elkaar vertrouwen en aanvullen: feiten plus andere feiten en vooral een historisch, politiek en psychologisch gefundeerd kader’.

In uw artikel ‘Het Verloren Vaderland’ uit 1996 sprak u van een media-actie van de regering na de val van Srebrenica. Wat bedoelde u? En gebeurt dat nu weer?

”De defensietop schermde bijvoorbeeld de media af van de Dutchbatters, die mochten niks zeggen. Die ‘debriefing’ en evaluatie deed men zelf wel. De politiek, kabinet én parlement, wilden geen verantwoording afleggen in een parlementaire enquête, maar schoven de zaak op de lange baan door het NIOD de opdracht te geven het eerst zo uitvoerig mogelijk historisch te onderzoeken. We zijn nu zeven jaar verder, maar het trauma is nog zó groot, dat het politieke gemanoeuvreer elke avond van de beeldbuis spat. Er zijn maar enkelen die de hand in eigen boezen durven steken, zoals minister Pronk en oud-kamerlid De Kok. Nu het hele kabinet is afgetreden is Srebrenica geëindigd zoals het is begonnen, in een onvoorzien drama’

Hoe zit het met de objectiviteit van de Nederlandse journalistiek over Srebrenica? Zijn de media niet veel te afhankelijk van officiële nieuwsbronnen, zie de Golfoorlog. Daar staat zo’n viersterrengeneraal ons te vertellen wat wij van de oorlog moeten weten. Zijn we niet terug bij af, bij Wellington die zelf verslag uitbracht over Waterloo?

”In ‘normale’ oorlogen, zeker luchtoorlogen, zijn journalisten altijd afhankelijk van de militairen, ook in Vietnam, voor hun informatie en veiligheid. De Balkan was anders, daar reed je in je auto binnen twee dagen heen en dat deden honderden moedige Nederlandse journalisten. Het pijnlijke was dat de meesten van hen in Sarajevo bleven. Er was geen journalist in Srebrenica. Dat was te onveilig. Ook de hoofdredacties willen geen dode journalisten ten behoeve van de waarheid. De woede van journalisten over defensie kwam overigens onder andere voort uit de onwil hen te beschermen. Een voorbeeld: Pronk was een keer in Bosnië, er werd geschoten, hij werd direct in een auto gezet en weggereden. De begeleidende journalisten mochten niet mee. Vanuit die auto riep men: ‘als ze blijven schieten, wel gaan liggen hoor!’. Oorlogsjournalistiek hangt ook aan elkaar van ambitie, onmacht, deals en emoties. Uit Bosnië is slechte, maar ook heel veel goede journalistiek gekomen, eerder te veel dan te weinig, want er was tussen 1993 en 1995 vaak sprake van ‘Joegoslavië-moeheid’ bij het publiek.”

U heeft zelf mediatraining gegeven aan mensen uit de militaire top. Wat vertelde u hen dan?

”Geen mediatraining, gewoon college met discussie over de rol van de media in de maatschappij en in de oorlog. Was erg leuk, want deze aspirant-kolonels en -generaals waren niet alleen zeer aardig, maar ook zeer discussiebereid. Mediatraining kregen ze van anderen. En ze hebben van Srebrenica wel degelijk veel geleerd. Ze laten zich niet meer met een onmogelijke opdracht wegsturen. En sommige ‘aangeklaagden’ verdedigen zich nu openlijk in de media tegen de aantijgingen in het rapport. Op chef Couzy na dan. Die is net als Voorhoeve nu in geen velden of wegen te bekennen.”

Blom zei op 10 april dat het rapport de basis kan vormen ‘voor het voortgezette debat in politiek en samenleving, waaraan sterk behoefte is’. Is dat niet wrang, gezien de door de nabestaanden gevoelde ontkenning van de morele schuld aan het verlies van hun vaders, zonen en broers? En welke plaats kan de journalistiek innemen in dat debat?

”Over de nabestaanden: het rapport legt de verantwoordelijkheid bij de politiek. Die moet conclusies trekken over de mate van morele schuld. Die reikt in mijn ogen trouwens verder dan Srebrenica, namelijk tot diep in onze samenleving zelf. De houding van ‘eigen hachje eerst’ en ‘bemoei je er niet mee’, is ook in eigen land overheidsbeleid geworden in de jaren negentig: denk aan Tjoelker, de Oosterpoort en Gorcum. Dát is het desastreuze bijeffect van die naïeve politiek van goede bedoelingen en averechtse gevolgen. Daarover kun je in mijn boek ‘Publieke Tranen’ genoeg lezen.
Wat betreft de journalistiek: die moet Srebrenica ook evalueren. Als het rapport onvolledig is, is het ook op het punt van die ‘politiek-publicitaire constellatie’. Niet alleen is het personderzoek eenzijdig gericht op de kwaliteitsmedia en ontbreekt in Jan Wietens voorstudie <c>De Telegraaf<c> nagenoeg. Wat vooral onderzocht had moeten worden is de wederzijdse beïnvloeding van media en politiek. Want militairen en politici zijn net als u en ik net gewone mensen, ze kijken ook naar het Journaal, en zagen al die beelden van ellende. Nederland is een emotiecultuur geworden, en de politieke gevolgen ervan moeten nog meer onderzocht worden.”

Op deze pagina ziet u  de textversie van het interview met Erasmus Magazine van 25 april 2002

Klik hier voor een print versie in PDF-formaat

- Artikel, Irak: Nederlandse media gijzelen zichzelf, december 2004
- Lezing, De beklemmende elite en Andre hazes, 2 oktober 2004
- Artikel de Gids, Nederlanders zijn anti-koloniaal of het verlangen naar getto's, mei/juni 2004
- Ingezonden brief, Columnisten tonen liever hun gelijk dan hun hart, de Volkskrant, 26 maart 2004
- Artikel, het verleden is een koektrommel? de Volkskrant, 25 februari 2004
- Ingezonden brief, Waarom die taboeïsering van het Huis der Historie? de Volkskrant, 25 februari 2003
- Artikel, Fragment, Trouw 3 maart 2003
- Opinie, Beheerst weldenkend, NRC Handelsblad 1 februari 2003
- Opinie, Met Cohen is het nu Amsterdam vs Rotterdam, Volkskrant, 21 januari 2003
- Opinie, De verstandige kiezer bestaat niet, 17 januari 2003
- Opinie, The medium is not the message, Volkskrant 14 januari 2003
- Interview, Het dedain van de elite stoort mij enorm, Groene Amsterdammer, 21 december 2002
- Opinie, Florida-toestanden dreigen bij verkiezingen, 25 November 2002
- Artikel, Elite: stop het schelden, 19 september 2002
- Artikel, De indruk van een afdruk, 17 augustus 2002
- Artikel, De koploze revolutie in Fort Knox, 15 mei 2002, 23.30 uur
- Opinie AD, De 151e zetel voor Pim, 7 mei 2002
- Een ooggetuigeverslag 6 mei 2002
- Interview P magazine, De onstuitbare opmars van de emotiecultuur - mei 2002
- Artikel, the medium is not the message, 5 mei 2002
- Interview Humanist, mei 2002
- Interview Erasmus Magazine - 25 april 2002
- Artikel, Kern Fortuyn's succes: reactionair modernisme - NRC, 23 maart 2002
- Opinie, Journalisten moeten pen scherpen - Volkskrant, 13 maart 2002
- Interview Flair magazine -  maart 2002
- Interview HP de Tijd - 15 februari 2002
- Opinie, Fortuyn en de Emo-revolutie - Trouw, 13 februari 2002
- De Maxima Show - Elsevier 9 februari 2002
- Interview Volkskrant - 2 februari 2002

Alle documenten zijn beschikbaar in PDF formaat. U heeft hier Acrobat Reader voor nodig. Wanneer u dit nog niet heeft geïnstalleerd kunt u het hier gratis downloaden.

Adobe PDF

 


webmaster

Best viewed with Internet Explorer 5.0 or higher