Media Matters

 

home | e-mail | English | Zoeken

In het nieuws
Publicaties         
 Boeken
 Artikelen
 Recensies
Persoonlijk           
Interactief
Contact
In het nieuws  - Fortuyn en de Emo Revolutie

Fortuyn en de emo-revolutie

Uit: Trouw, Podium, 13 februari 2002

Revolutie is een van de meest ondoorgrondelijke historische verschijnselen. De vraag of een situatie pre-revolutionair is, is per definitie nog moeilijker te beantwoorden. Immers, niemand weet precies wat de dag van morgen brengt.

Uit de kennis over de revoluties in het verleden, de meest recentie die in Iran, in Duitsland en in Oost-Europa, wordt wel zoveel duidelijk dat de negentiende eeuwse conservatieve cultuurhistoricus Jacob Burckhardt gelijk had toen hij de revolutionaire momenten in de geschiedenis even mooi als vaag aldus karakteriseerde: ‘Alleen als het juiste moment daar is, en de ware stof voor handen, dan verloopt de ontsteking met een electrische snelheid over honderden van mijlen en over de verschillendste bevolkingsgroepen die elkaar anders nauwelijks kennen. De boodschap gaat door de lucht, en het ene waar het op aankomt, begrijpen ze plotseling allemaal, al was het maar een bedompt: het moet anders worden!’.

Uit eigen ervaring, die van 1989 in Oost-Duitsland, kan ik hier aan toevoegen dat, als je er een neus voor hebt, je het in zo’n pre-revolutionaire situatie niet zozeer ziet maar ruikt en proeft, de onvrede, het chagrijn, over de gekste dingen die soms niets met het politieke bestel te maken hebben. Maar alleen als groot en klein, reëel en onbenullig, bij elkaar komen, kan dat magische moment ontstaan dat de lont in het kruidvat steekt, een explosie veroorzakend die een politiek stelsel, zelfs een hele staat, uit zijn hengsels kan lichten.

Deze woorden zijn grote woorden voor een poging tot analyse van het verschijnsel-Fortuyn. Toch is er, bij alle relativeringen waarvoor de geschiedenis ook ruimschoots voorbeelden in de aanbieding heeft, aanleiding voor de gedachte dat nu groot en klein, en meestal ongesorteeerd en onoverdacht, bij elkaar komen in een kluwen van wat ik welhaast een emo-revolutie zou willen noemen. Het ene weekeinde huilt Nederland massaal en eensgezind van ontroering bij het zien van de tranen van Máxima tijdens haar huwelijk. Het volgende weekeinde tikt half Nederland zijn vingers beurs op de mobiele telefoon, om live in de phone-in shows op de radio van zijn emoties kond te doen over de affaire-Fortuyn.

De media vormen een steeds krachtiger luidspreker van de uitingen van de huidige emo-cultuur. Nieuw is dit verschijnsel natuurlijk niet. Sterker, revoluties hebben helemaal geen technische media nodig om ontketend te kunnen worden. ‘It’s in the air’, is een voldoende, bijna virologische voorwaarde, onzichtbaar maar wezenlijk. Het geklaag over ‘de media’ is zo oud als ‘de media’ zelf. Eén citaat is voldoende, van Johan Huizinga, uit zijn in 1935 gepubliceerde boek In de schaduwen van morgen. ‘Het ruilmiddel der gedachte, het woord, daalt met het voortschrijden der cultuur onvermijdelijk in waarde. Het wordt in steeds matelozer kwantiteit steeds gemakkelijker verspreid. Met de waardeloosheid van het gedrukte of gehoorde woord stijgt in directe evenredigheid de onverschilligheid voor de waarheid. Met het veldwinnen van een irrationalistische geesteshouding verwijdt zich, op elk gebied, de marge van het verkeerd begrijpen tot een brede zone. De ogenblikkelijke publiciteit, aangezet door mercantiel-sensationele strekking, blaast een eenvoudig verschil van standpunt op tot een nationale hallucinatie. De denkbeelden van den dag eisen werking à la minute. Terwijl grote ideeën in deze wereld altijd zeer langzaam zijn doorgedrongen. Als asfalt- en benzinegeur boven de steden, hangt over de wereld een wolk van woordenkraam’.

Dit soort kritiek op ‘de media’ is dus meestentijds oude koek. Huizinga’s stelling dat ‘grote ideeën’ altijd zeer langzaam doordringen, is interessanter. Immers, men kan de komeetachtige verschijning van Pim Fortuyn vergelijken, en dus afdoen, met dezelfde verschijning aan het politieke firmament van Hendrik Koekoek. Die behaalde in maart 1966 met zijn eenmanspartij De Boerenpartij bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten 7 procent van de stemmen, en in Amsterdam zelfs 9 procent. Er waren slechts anderhalve tv-zender en twee radio-zenders, de kranten waren wel in beweging maar niet pro-Koekoek, maar pro-Van Mierlo. Koekoek’s succes was er niet minder om, al ging zijn protestbeweging later aan intern geruzie ten onder, zoals nu met Leefbaar Nederland ook kan gebeuren.

Het is wellicht overdreven om de hype rond Fortuyn van afgelopen maanden, en zeker afgelopen weekeinde, een media-revolutie te noemen, al komt de hype er wel dicht bij in de buurt. Wat met het succesvolle sms- en fax-bombardement vorig jaar van Radio 538 tegen de zenderveiling al zichtbaar werd, was nu in volle omvang duidelijk. Nu deden de gevestigde media, in hun wanhoop de concurrent de loef af te steken en tegelijk zo interactief mogelijk te zijn, volop mee. Elke zender zette zijn phone-in programma open voor de luisteraar, en de rage van de interactiviteit is niet alleen overgeslagen naar internet maar ook naar televisie, tot dusverre meestal een tamelijk kalme kanalisator van publieke emotie. Het NCRV-radioprogramma Stand.NL zond maandagmiddag ook op op tv uit, zodat de luisteraars  alle bellers konden horen, die door presentator Sjors Fröhlich met bekwame en soms harde hand tot de orde werden geroepen. Maar de kijkers konden alle sms-en ongesorteerd, dus inclusief de meest grove verwensingen, gewoon over het scherm zien flitsen.

Behalve de meest fundamentele criticus van de huidige politiek is Pim Fortuyn de vleesgeworden emotionalisering van de samenleving, met zijn zogenaamde eerlijke emotie alles te durven en willen zeggen, en zich nergens voor te schamen. Maar Fortuyn doet in extreme mate wat alle andere politici al sinds jaar en dag doen: zich van hun private kant laten zien, soms om te verdoezelen dat ze inhoudelijk weinig of niets te zeggen hebben. De afgelopen weken deed eerst burgemeester Job Cohen mee aan een ‘the making of’-programma over het schrijven van zijn huwelijksspeech en de andere voorbereidingen, en Thom de Graaf liet zich een week lang volgen, veel peinzend uit het raam kijkend, al schrijvend aan zijn blijkbaar diepzinnigste congresrede ooit. Deze emotionalisering en privatisering van de politiek is dus niets nieuws, hoezeer we ook een grens lijken over te zijn gestoken die een terugkeer naar de oude ‘publieke zaak’ onmogelijk maakt.

Belangrijker toch zijn ‘de grote ideeën’. Die waren er in de jaren zestig volop, sommige ervan werden tot beleid onder het kabinet-Den Uyl. Nog langer duurde het voordat de revolutionaire ideologie van burgerrechten en individuele ontplooiing in de Grondwet verscheen. Dat gebeurde in 1983. De opwinding over Fortuyns voorstel artikel 1 te schrappen bewijst voornamelijk dat Huizinga in 1935 gelijk had, dat ‘de marge van het verkeerd begrijpen tot een brede zone’ is verwijd. Feit is namelijk dat geen hond na 1983 over die grondwet wilde discussiëren, zo heilig en onaantastbaar werd die blijkbaar onmiddellijk geacht. Dat is het vreemde, of onheilspellende: dat nu groot en klein wél bij elkaar komt. Pas nu, bijna twintig jaar later, vraagt niet alleen Pim Fortuyn om heropening van de discussie, maar ook journalisten als chef-Letter & Geest, Jaffe Vink, die wel drie krantenpagina’s neemt om als een moderne Spengler, Huizinga, of zijn Amerikaanse collega-journalist Robert Kaplan, hel en verdoemenis te preken over de verwaarlozing van de eigen cultuur en uitgangspunten en ‘the coming anarchy’. Het stuk getuigt van de verwarring en bezetenheid die een bekeerling eigen is, die te lang andere dingen belangrijker vond.

En toch was het de alom gerespecteerde historicus E.H. Kossmann die al in 1984 wees op de tegenstrijdige, zo niet onmogelijke elementen in de grondwet van 1983. Wie het eerste hoofdstuk van deze nieuwe grondwet las, kon zijns inziens niet anders concluderen dan dit: ‘De Nederlandse maastschappij van nu stelt zichzelf uitzonderlijk hoge eisen’. Volgens hem bestond er geen andere grondwet dan de Nederlandse die al in haar eerste artikel een zeer algemene verbodsbepaling bevat: gij zult niet discrimineren. Dit vond hij des te merkwaardiger omdat de overheid in die hele lange lijst van grondrechten slechts in dit ene artikel de burger het recht op iets, namelijk het discrimineren, weigert. De grondwet was verder een catalogus van verplichtingen die de overheid zelf diende na te komen, van voldoende werkgelegenheid, volksgezondheid en huisvesting tot het scheppen van de voorwaarden ‘voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor de vrijetijdsbesteding’.

Dat de overheid dit walhalla aan verwachtingen niet kon nakomen, werd toen dus al voorspeld. En in 1983 was er nog nauwelijks sprake van een multiculturele samenleving zoals we die nu kennen, en van een commerciële media- en emotiemaatschappij evenmin.

Dat is het onheilspellende van de huidige periode: ‘de grote ideeën’ zoals de overspannen verwachtingen bij de burgers van de overheid én van zichzelf zijn in de afgelopen jaren langzaam maar zeker omgeslagen in wanhoop en woede, vooral omdat die grote ideeën van meet af aan niet deugden. En die twijfel heeft zich verwijd tot steeds bredere kringen, van de arbeider tot de journalist, de intellectueel en de notaris.

En uitgerekend temidden van deze fundamentele verwarring treedt een man naar voren, Pim Fortuyn, die oud en nieuw, links en rechts in zich verenigt, en oprechte woede en emotie moeiteloos weet te paren aan het meest schaamteloze exhibitionisme en de eenvoudigste oplossingen voor de meest ingewikkelde problemen die alleen met veel bezinning en nog meer moeite zijn terug te dringen. Het is pathetisch om D66-leider Thom de Graaf bezig te zien op tv, wanhopig pogend de kiezers duidelijk te maken wat zijn partij allemaal voor zinnigs en mondigs voor elkaar heeft gekregen sinds de oprichting. Pathetisch omdat het bijna een wetmatigheid is dat de voorhoede van een revolutie slechts tijdelijk van belang is, om de ideeën te zaaien en de revolutie te beginnen. Maar meestal wordt de voorhoede uiteindelijk onder de voet gelopen door mensen van een harder slag. Pim Fortuyn is het sprekende voorbeeld van de goede bedoelingen en de averechtse gevolgen. De bedoelingen van ‘de jaren zestig’, inclusief D66, waren merendeels goed, de gevolgen zien we nu: een gecommercialiseerde, geïndividualiseerde mediacratie, geheel naar Amerikaanse snit, en dus hard en meedogenloos. Het populisme van nu is het logische gevolg van de destijds bijna alom toegejuichte ontvoogding van de burger en van de ook bijna alom toegejuichte inspraak van de burger in het politieke proces.

Johan Huizinga verwachtte in 1935 voor de noodzakelijke ‘katharsis’ alleen van de jongeren nog een zinnige bijdrage: ‘Zij zijn lichter geschoeid dan de vroegere waren’. Daarom waren zij internationaler van oriëntatie, en dus in staat een nieuwe ethiek vorm te geven tegen het nationalisme. We zouden het hem nu, anno 2002, kunnen nazeggen. We zien op tv voornamelijk oude, verbitterde mannen zich bezighouden voor of tegen Leefbaar Nederland. De lichter geschoeide jongeren hebben zich, als antiglobalist, de wereld al als hun werkterrein gekozen. Maar of zij van nut zijn om de boel hier te lande weer in goede banen te leiden, is zeer de vraag. Van directer nut zou zijn een brede maatschappelijke discussie te beginnen over voor- en nadelen van de emotionalisering van het publieke domein. De politici, die zulke schijnheilige verontwaardiging aan de dag leggen over de methoden van Fortuyn, zouden het voortouw moeten nemen bij het herijken van wat persoonlijk is en publiek.

Henri Beunders

Hoogleraar maatschappij, media en cultuur Erasmus Universiteit en auteur van het boek Publieke Tranen. De drijfveren van de emotiecultuur.
(nb in Trouw is verkorte versie weergegeven)

 

 

Op deze pagina vindt u het artikel 'The medium is not the message'

- Artikel, Irak: Nederlandse media gijzelen zichzelf, december 2004
- Lezing, De beklemmende elite en Andre hazes, 2 oktober 2004
- Artikel de Gids, Nederlanders zijn anti-koloniaal of het verlangen naar getto's, mei/juni 2004
- Ingezonden brief, Columnisten tonen liever hun gelijk dan hun hart, de Volkskrant, 26 maart 2004
- Artikel, het verleden is een koektrommel? de Volkskrant, 25 februari 2004
- Ingezonden brief, Waarom die taboeïsering van het Huis der Historie? de Volkskrant, 25 februari 2003
- Artikel, Fragment, Trouw 3 maart 2003
- Ingezonden brief, Waarom die taboeïsering van het Huis der Historie? de Volkskrant, 25 februari 2003
- Artikel, Fragment, Trouw 3 maart 2003
- Opinie, Beheerst weldenkend, NRC Handelsblad 1 februari 2003
- Opinie, Met Cohen is het nu Amsterdam vs Rotterdam, Volkskrant, 21 januari 2003
- Opinie, De verstandige kiezer bestaat niet, 17 januari 2003
- Opinie, The medium is not the message, Volkskrant 14 januari 2003
- Interview, Het dedain van de elite stoort mij enorm, Groene Amsterdammer, 21 december 2002
- Opinie, Florida-toestanden dreigen bij verkiezingen, 25 November 2002
- Artikel, Elite: stop het schelden, 19 september 2002
- Artikel, De indruk van een afdruk, 17 augustus 2002
- Artikel, De koploze revolutie in Fort Knox, 15 mei 2002, 23.30 uur
- Opinie AD, De 151e zetel voor Pim, 7 mei 2002
- Een ooggetuigeverslag 6 mei 2002
- Interview P magazine, De onstuitbare opmars van de emotiecultuur - mei 2002
- Artikel, the medium is not the message, 5 mei 2002
- Interview Humanist, mei 2002
- Interview Erasmus Magazine - 25 april 2002
- Artikel, Kern Fortuyn's succes: reactionair modernisme - NRC, 23 maart 2002
- Opinie, Journalisten moeten pen scherpen - Volkskrant, 13 maart 2002
- Interview Flair magazine -  maart 2002
- Interview HP de Tijd - 15 februari 2002
- Opinie, Fortuyn en de Emo-revolutie - Trouw, 13 februari 2002
- De Maxima Show - Elsevier 9 februari 2002
- Interview Volkskrant - 2 februari 2002

Alle documenten zijn beschikbaar in PDF formaat. U heeft hier Acrobat Reader voor nodig. Wanneer u dit nog niet heeft geïnstalleerd kunt u het hier gratis downloaden.

Adobe PDF

 


webmaster

Best viewed with Internet Explorer 5.0 or higher