|
Revolutie is een van de
meest ondoorgrondelijke historische verschijnselen. De vraag of een
situatie pre-revolutionair is, is per definitie nog moeilijker te
beantwoorden. Immers, niemand weet precies wat de dag van morgen brengt.
Uit de kennis over de
revoluties in het verleden, de meest recentie die in Iran, in Duitsland en
in Oost-Europa, wordt wel zoveel duidelijk dat de negentiende eeuwse
conservatieve cultuurhistoricus Jacob Burckhardt gelijk had toen hij de
revolutionaire momenten in de geschiedenis even mooi als vaag aldus
karakteriseerde: ‘Alleen als het juiste moment daar is, en de ware stof
voor handen, dan verloopt de ontsteking met een electrische snelheid over
honderden van mijlen en over de verschillendste bevolkingsgroepen die
elkaar anders nauwelijks kennen. De boodschap gaat door de lucht, en het
ene waar het op aankomt, begrijpen ze plotseling allemaal, al was het maar
een bedompt: het moet anders worden!’.
Uit eigen ervaring, die
van 1989 in Oost-Duitsland, kan ik hier aan toevoegen dat, als je er een
neus voor hebt, je het in zo’n pre-revolutionaire situatie niet zozeer
ziet maar ruikt en proeft, de onvrede, het chagrijn, over de gekste dingen
die soms niets met het politieke bestel te maken hebben. Maar alleen als
groot en klein, reëel en onbenullig, bij elkaar komen, kan dat magische
moment ontstaan dat de lont in het kruidvat steekt, een explosie
veroorzakend die een politiek stelsel, zelfs een hele staat, uit zijn
hengsels kan lichten.
Deze woorden zijn grote
woorden voor een poging tot analyse van het verschijnsel-Fortuyn. Toch is
er, bij alle relativeringen waarvoor de geschiedenis ook ruimschoots
voorbeelden in de aanbieding heeft, aanleiding voor de gedachte dat nu
groot en klein, en meestal ongesorteeerd en onoverdacht, bij elkaar komen
in een kluwen van wat ik welhaast een emo-revolutie zou willen noemen. Het
ene weekeinde huilt Nederland massaal en eensgezind van ontroering bij het
zien van de tranen van Máxima tijdens haar huwelijk. Het volgende
weekeinde tikt half Nederland zijn vingers beurs op de mobiele telefoon,
om live in de phone-in shows op de radio van zijn emoties kond te doen
over de affaire-Fortuyn.
De media vormen een
steeds krachtiger luidspreker van de uitingen van de huidige emo-cultuur.
Nieuw is dit verschijnsel natuurlijk niet. Sterker, revoluties hebben
helemaal geen technische media nodig om ontketend te kunnen worden. ‘It’s
in the air’, is een voldoende, bijna virologische voorwaarde, onzichtbaar
maar wezenlijk. Het geklaag over ‘de media’ is zo oud als ‘de media’ zelf.
Eén citaat is voldoende, van Johan Huizinga, uit zijn in 1935
gepubliceerde boek In de schaduwen van morgen. ‘Het ruilmiddel der
gedachte, het woord, daalt met het voortschrijden der cultuur
onvermijdelijk in waarde. Het wordt in steeds matelozer kwantiteit steeds
gemakkelijker verspreid. Met de waardeloosheid van het gedrukte of
gehoorde woord stijgt in directe evenredigheid de onverschilligheid voor
de waarheid. Met het veldwinnen van een irrationalistische geesteshouding
verwijdt zich, op elk gebied, de marge van het verkeerd begrijpen tot een
brede zone. De ogenblikkelijke publiciteit, aangezet door
mercantiel-sensationele strekking, blaast een eenvoudig verschil van
standpunt op tot een nationale hallucinatie. De denkbeelden van den dag
eisen werking à la minute. Terwijl grote ideeën in deze wereld altijd zeer
langzaam zijn doorgedrongen. Als asfalt- en benzinegeur boven de steden,
hangt over de wereld een wolk van woordenkraam’.
Dit soort kritiek op
‘de media’ is dus meestentijds oude koek. Huizinga’s stelling dat ‘grote
ideeën’ altijd zeer langzaam doordringen, is interessanter. Immers, men
kan de komeetachtige verschijning van Pim Fortuyn vergelijken, en dus
afdoen, met dezelfde verschijning aan het politieke firmament van Hendrik
Koekoek. Die behaalde in maart 1966 met zijn eenmanspartij De Boerenpartij
bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten 7 procent van de stemmen,
en in Amsterdam zelfs 9 procent. Er waren slechts anderhalve tv-zender en
twee radio-zenders, de kranten waren wel in beweging maar niet
pro-Koekoek, maar pro-Van Mierlo. Koekoek’s succes was er niet minder om,
al ging zijn protestbeweging later aan intern geruzie ten onder, zoals nu
met Leefbaar Nederland ook kan gebeuren.
Het is wellicht
overdreven om de hype rond Fortuyn van afgelopen maanden, en zeker
afgelopen weekeinde, een media-revolutie te noemen, al komt de hype er wel
dicht bij in de buurt. Wat met het succesvolle sms- en fax-bombardement
vorig jaar van Radio 538 tegen de zenderveiling al zichtbaar werd, was nu
in volle omvang duidelijk. Nu deden de gevestigde media, in hun wanhoop de
concurrent de loef af te steken en tegelijk zo interactief mogelijk te
zijn, volop mee. Elke zender zette zijn phone-in programma open voor de
luisteraar, en de rage van de interactiviteit is niet alleen overgeslagen
naar internet maar ook naar televisie, tot dusverre meestal een tamelijk
kalme kanalisator van publieke emotie. Het NCRV-radioprogramma Stand.NL
zond maandagmiddag ook op op tv uit, zodat de luisteraars alle bellers
konden horen, die door presentator Sjors Fröhlich met bekwame en soms
harde hand tot de orde werden geroepen. Maar de kijkers konden alle sms-en
ongesorteerd, dus inclusief de meest grove verwensingen, gewoon over het
scherm zien flitsen.
Behalve de meest
fundamentele criticus van de huidige politiek is Pim Fortuyn de
vleesgeworden emotionalisering van de samenleving, met zijn zogenaamde
eerlijke emotie alles te durven en willen zeggen, en zich nergens voor te
schamen. Maar Fortuyn doet in extreme mate wat alle andere politici al
sinds jaar en dag doen: zich van hun private kant laten zien, soms om te
verdoezelen dat ze inhoudelijk weinig of niets te zeggen hebben. De
afgelopen weken deed eerst burgemeester Job Cohen mee aan een ‘the making
of’-programma over het schrijven van zijn huwelijksspeech en de andere
voorbereidingen, en Thom de Graaf liet zich een week lang volgen, veel
peinzend uit het raam kijkend, al schrijvend aan zijn blijkbaar
diepzinnigste congresrede ooit. Deze emotionalisering en privatisering van
de politiek is dus niets nieuws, hoezeer we ook een grens lijken over te
zijn gestoken die een terugkeer naar de oude ‘publieke zaak’ onmogelijk
maakt.
Belangrijker toch zijn
‘de grote ideeën’. Die waren er in de jaren zestig volop, sommige ervan
werden tot beleid onder het kabinet-Den Uyl. Nog langer duurde het voordat
de revolutionaire ideologie van burgerrechten en individuele ontplooiing
in de Grondwet verscheen. Dat gebeurde in 1983. De opwinding over Fortuyns
voorstel artikel 1 te schrappen bewijst voornamelijk dat Huizinga in 1935
gelijk had, dat ‘de marge van het verkeerd begrijpen tot een brede zone’
is verwijd. Feit is namelijk dat geen hond na 1983 over die grondwet wilde
discussiëren, zo heilig en onaantastbaar werd die blijkbaar onmiddellijk
geacht. Dat is het vreemde, of onheilspellende: dat nu groot en klein wél
bij elkaar komt. Pas nu, bijna twintig jaar later, vraagt niet alleen Pim
Fortuyn om heropening van de discussie, maar ook journalisten als
chef-Letter & Geest, Jaffe Vink, die wel drie krantenpagina’s neemt om als
een moderne Spengler, Huizinga, of zijn Amerikaanse collega-journalist
Robert Kaplan, hel en verdoemenis te preken over de verwaarlozing van de
eigen cultuur en uitgangspunten en ‘the coming anarchy’. Het stuk getuigt
van de verwarring en bezetenheid die een bekeerling eigen is, die te lang
andere dingen belangrijker vond.
En toch was het de alom
gerespecteerde historicus E.H. Kossmann die al in 1984 wees op de
tegenstrijdige, zo niet onmogelijke elementen in de grondwet van 1983. Wie
het eerste hoofdstuk van deze nieuwe grondwet las, kon zijns inziens niet
anders concluderen dan dit: ‘De Nederlandse maastschappij van nu stelt
zichzelf uitzonderlijk hoge eisen’. Volgens hem bestond er geen andere
grondwet dan de Nederlandse die al in haar eerste artikel een zeer
algemene verbodsbepaling bevat: gij zult niet discrimineren. Dit vond hij
des te merkwaardiger omdat de overheid in die hele lange lijst van
grondrechten slechts in dit ene artikel de burger het recht op iets,
namelijk het discrimineren, weigert. De grondwet was verder een catalogus
van verplichtingen die de overheid zelf diende na te komen, van voldoende
werkgelegenheid, volksgezondheid en huisvesting tot het scheppen van de
voorwaarden ‘voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor de
vrijetijdsbesteding’.
Dat de overheid dit
walhalla aan verwachtingen niet kon nakomen, werd toen dus al voorspeld.
En in 1983 was er nog nauwelijks sprake van een multiculturele samenleving
zoals we die nu kennen, en van een commerciële media- en
emotiemaatschappij evenmin.
Dat is het
onheilspellende van de huidige periode: ‘de grote ideeën’ zoals de
overspannen verwachtingen bij de burgers van de overheid én van zichzelf
zijn in de afgelopen jaren langzaam maar zeker omgeslagen in wanhoop en
woede, vooral omdat die grote ideeën van meet af aan niet deugden. En die
twijfel heeft zich verwijd tot steeds bredere kringen, van de arbeider tot
de journalist, de intellectueel en de notaris.
En uitgerekend temidden
van deze fundamentele verwarring treedt een man naar voren, Pim Fortuyn,
die oud en nieuw, links en rechts in zich verenigt, en oprechte woede en
emotie moeiteloos weet te paren aan het meest schaamteloze exhibitionisme
en de eenvoudigste oplossingen voor de meest ingewikkelde problemen die
alleen met veel bezinning en nog meer moeite zijn terug te dringen. Het is
pathetisch om D66-leider Thom de Graaf bezig te zien op tv, wanhopig
pogend de kiezers duidelijk te maken wat zijn partij allemaal voor zinnigs
en mondigs voor elkaar heeft gekregen sinds de oprichting. Pathetisch
omdat het bijna een wetmatigheid is dat de voorhoede van een revolutie
slechts tijdelijk van belang is, om de ideeën te zaaien en de revolutie te
beginnen. Maar meestal wordt de voorhoede uiteindelijk onder de voet
gelopen door mensen van een harder slag. Pim Fortuyn is het sprekende
voorbeeld van de goede bedoelingen en de averechtse gevolgen. De
bedoelingen van ‘de jaren zestig’, inclusief D66, waren merendeels goed,
de gevolgen zien we nu: een gecommercialiseerde, geïndividualiseerde
mediacratie, geheel naar Amerikaanse snit, en dus hard en meedogenloos.
Het populisme van nu is het logische gevolg van de destijds bijna alom
toegejuichte ontvoogding van de burger en van de ook bijna alom
toegejuichte inspraak van de burger in het politieke proces.
Johan Huizinga
verwachtte in 1935 voor de noodzakelijke ‘katharsis’ alleen van de
jongeren nog een zinnige bijdrage: ‘Zij zijn lichter geschoeid dan de
vroegere waren’. Daarom waren zij internationaler van oriëntatie, en dus
in staat een nieuwe ethiek vorm te geven tegen het nationalisme. We zouden
het hem nu, anno 2002, kunnen nazeggen. We zien op tv voornamelijk oude,
verbitterde mannen zich bezighouden voor of tegen Leefbaar Nederland. De
lichter geschoeide jongeren hebben zich, als antiglobalist, de wereld al
als hun werkterrein gekozen. Maar of zij van nut zijn om de boel hier te
lande weer in goede banen te leiden, is zeer de vraag. Van directer nut
zou zijn een brede maatschappelijke discussie te beginnen over voor- en
nadelen van de emotionalisering van het publieke domein. De politici, die
zulke schijnheilige verontwaardiging aan de dag leggen over de methoden
van Fortuyn, zouden het voortouw moeten nemen bij het herijken van wat
persoonlijk is en publiek.
Henri Beunders
Hoogleraar
maatschappij, media en cultuur Erasmus Universiteit en auteur van het boek
Publieke Tranen. De drijfveren van de emotiecultuur.
(nb in Trouw is verkorte versie weergegeven)
|