|
Met het proces
tegen Volkert van der G krijgt de beeldenstrijd om de herinnering aan
Pim Fortuyn een nieuwe dimensie. Door zijn vastbesloten zwijgen is Van
der G. al drie maanden in het voordeel. Het idee dat ‘een gek’ zijn
pistool had getrokken, was voor velen gemakkelijker te verteren dan
het beeld van een fanaticus die ook vanuit zijn cel de buitenwereld
nog wil domineren en met zijn ‘wilsbeschikking’ aangeeft ook liever de
eigen dood af te dwingen boven het afleggen van verantwoording
tegenover een wereld die niet volgens zijn regels wil leven.

Zo verheft hij zich
tot een mythe, tot een figuur die met zijn daad en aansluitende
zwijgen en hongerstaking als het ware uittorent boven de platte,
‘verkeerde’ wereld onder hem waarvan de veelprater Pim Fortuyn volgens
hem het symbool was. En van die ‘overwinning’ lijkt de kleurenfoto
waarmee enkele kranten op 7 mei openden over de volle breedte van de
voorpagina vulden - van het verlaten, ontzielde lichaam van Fortuyn op
de parkeerplaats van het Mediapark - het symbool.
Ik zeg ‘lijkt’,
want bij het interpreteren van de betekenis van een foto is niets
zeker. De betekenis van een persfoto is vaak zelfs omgekeerd evenredig
aan de duidelijkheid ervan. Zeker is dat die foto al op de dag na de
moord duizenden lezers schokte. Velen van hen gaven direct uiting aan
hun protest via telefoon, fax en email aan de kranten die de foto zo
groot hadden afgedrukt: Algemeen Dagblad, De Telegraaf en de
Volkskrant. Ze noemden de foto ‘respectloos, smakeloos, stuitend,
afschuwelijk, een kwaliteitskrant onwaardig’, zo vatte
Volkskrant-hoofdredacteur Pieter Broertjes in een reactie de protesten
samen. Volgens hem wist de redactie dat dit beeld lezers zou schokken:
‘Dit beeld zou emoties losmaken, zoals ooit ook de foto van de
vermoorde Robert Kennedy wereldwijd een schokgolf veroorzaakte’. Zijns
inziens was deze ANP-foto ‘het enige beeld dat ons ter beschikking
stond om de reikwijdte van wat gebeurd is zichtbaar te maken. Rouwende
mensen, verslagen politici, rellen – het zijn taferelen die ook met
deze moord samenhangen. Maar dat zijn afgeleide beelden. We menen dat
we in deze situatie niets anders konden doen dan u de werkelijkheid
tonen, in zijn rauwe, onversneden gedaante’.
Tegenover dit
zelfbewuste verweeer stelde ik mezelf de vraag: alles goed en wel,
maar wat is ‘de boodschap’ die de redacties van de drie kranten met
deze bloederige foto wilden geven? Er waren immers ook foto’s, genomen
vanuit het NOS-gebouw, waarop artsen en verpleegkundigen te zien waren
die probeerden het leven van Pim Fortuyn te redden. Ik kon me niet aan
de indruk onttrekken dat het niet geschreven onderschrift bij de
geplaatste foto luidde: ‘Gepeupel, hier ligt jullie leider. Hij is
dood, morsdood. Vergeet jullie beweging nou maar’. Tenzij degenen die
over de keuze van deze foto beslisten deze motivatie openlijk
toegeven, kun je een dergelijke indruk nooit bewijzen. En ook al nemen
we de rationele overwegingen voor waar aan, en waarom niet, dan nog
wordt de keuze van een foto meestal ook beïnvloed door allerhande niet
of nauwelijks bewuste gevoelens. Onduidelijker gevoelens dan de
argumenten die normaliter op een redactie te horen zijn: ‘deze is het
duidelijkst’, ‘maar deze is mooier’, ‘en deze symbolischer’, ‘ja maar,
ik heb een liggende foto nodig en geen staande’. Afgezien van de
praktische omstandigheden – soms zijn er gewoon geen foto’s of alleen
wazige - verloopt de keuze van een persfoto net zo instinctief en
vooringenomen als de manier waarop de lezer de foto bekijkt.
Elke foto is waar,
maar in de context is bijna elke foto een leugen. We zien wat we
willen zien. Het gemakkelijkste voorbeeld is de bekende foto uit juni
1989 van de Chinees die in Peking in zijn eentje een colonne tanks
tegenhoudt. In het Westen werd de foto een icoon van heldhaftige
burgermoed. De Chinese regering toonde dezelfde foto op
tentoonstellingen, als bewijs van de menselijkheid en terughoudendheid
van het leger bij het neerslaan van de studentenopstand. Het is zoals
Vicki Goldberg in haar boek The Power of Photography schrijft:
‘foto’s vertellen ons de waarheid niet, wij geven waarheid aan de
foto’s’.
Afgezien van de
dubbelzinnige betekenis ervan, wordt de kracht van een foto bepaald
door de in het gewone leven onmogelijke en dus fascinerende
uitlichting en bevriezing van één moment in de tijd, en door het
vermogen om spontane, krachtige emoties op te roepen. De volgende
vraag is dan natuurlijk – zoals bij de Fortuyn-foto – waaróm sommige
foto’s zulke krachtige emoties oproepen. Belichting, kwaliteit en
compositie spelen een grote rol. Maar die faktoren zijn niet voldoende
redenen waarom een foto in ons geheugen blijft hangen, ook al
bevorderen ze dit wel. Televisie heeft diverse memorabele bewegende
beelden vertoond in de afgelopen halve eeuw, maar weinige daarvan zijn
blijven hangen. Ons geheugen blijkt minder gemakkelijk in staat
bewegende beelden op te slaan dan een foto, en een overzichtelijk
gecomponeerde foto is eenvoudiger op te slaan dan een rommelige foto.
Dit feit is één reden van de boze reacties op de Fortuyn-foto. Men had
de tv-beelden al lang gezien, en men wist onbewust dat die beelden
niet in het geheugen zouden blijven hangen, maar deze foto wel. En
deze al te overzichtelijke foto wílde men niet als aandenken bewaren.
Waarom blijft een
bepaalde foto in het geheugen hangen? Zonder moeite kun je een aantal
redenen noemen: de foto zet ons aan het denken; de foto bevestigt of
wijzigt onze kennis van of ons oordeel over de wereld; er is een
persoonlijk verhaal mee verbonden zodat het zien van de foto dat
verhaal weer oproept (en vice versa) of de foto staat voor een groter
geheel van gebeurtenissen (de icoonwaarde). De receptie van een foto
is dus én zeer persoonlijk én zeer tijdgebonden. Foto’s die bij
sommigen nog altijd op het netvlies staan gebrand – Bergen Belsen,
napalmmeisje Kim Phuc – zeggen jongeren soms net zo weinig als foto’s
uit de Boerenoorlog; geschiedenis. Zij kennen de context niet meer en
kunnen zich er niet meer mee identificeren, en identificatie geldt als
een van de psychologische faktoren die een foto emotioneel maken.
Van alle faktoren
zijn er in mijn ogen drie het belangrijkste als het gaan om zowel de
keuze als de ‘impact’ van een foto: liefde, fantasie en ideologie
(inclusief religie, moraal en smaak). Om deze stelling te toetsen kan
de lezer alvast de Fortuyn-foto vergelijken met een van de foto’s van
de neergeschoten Robert Kennedy (van fotograaf Bill Eppridge) die
dankzij Life een icoon werd, ofwel: zoek de zeven verschillen.
Maar laten we eerst
de ideologische kant bekijken van foto’s die Nederlandse kranten in
het verleden publiceerden van iconische anonimi en beroemdheden die
een gewelddadige dood stierven: John F. Kennedy (22 november 1963),
Che Guevara, 9 oktober 1967), een Vietcong (2 februari 1968), Martin
Luther King (5 april 1968), Robert F. Kennedy (5 juni 1968), student
op Kent State University (4 mei 1970), Aldo Moro (9 mei 1978),
Najibullah (27 september 1996), prinses Diana (31 augustus 1997)
Maarten van Traa (21 oktober 1997) en Herman Brood (11 juli 2001).
Sommige kranten
prefereren van oudsher een archiefportret of een verhullende foto – of
géén foto – zoals NRC Handelsblad. Uit traditie, om ethische
redenen of om de betekenis van de overledene al door de keuze van de
foto aan te geven. Van Herman Brood werd op de voorpagina dus géén
foto geplaatst, maar een beschouwing over hem (een archieffoto stond
op pagina 2). Van het lijk van Fortuyn werd wel een foto geplaatst,
maar de foto was van ver genomen, het lichaam was afgedekt, en de foto
werd minder prominent gebracht dan de meeste doorsnee-voorpaginafoto.
Niet nomen est omen, maar foto est omen.
Soms zijn er
simpelweg geen nieuwsfoto’s, zoals in geval van Martin Luther King en
Prinses Diana, of doen de kranten geen moeite om er aan te komen. De
paparazzi-fotografen die Diana hadden achtervolgd door de fatale
tunnel waren op maandag 1 september 1997 nog in hechtenis. En ook al
waren er foto’s, geen krant waagde het om een foto van het autowrak af
te drukken, ook al was de duivelskring ‘beroemdheid-media-publiek’ in
haar geval de kern van de tragedie. De lezers zagen óf een
(sprookjes-)foto (gemaakt door Lord Snowdon) (Volkskrant, NRC
Handeelsblad) óf een serie fraaie foto’s uit haar korte leven,
privé en publiek (Het Parool, Trouw).
Wie alle foto’s van
Diana nog eens bekijkt die de kranten op 1 september 1997 afdrukten
ontkomt niet aan de indruk dat zij werd afgedrukt zoals de redacties
zich haar wilden herinneren, niet zoals ze was gestorven. En dat is de
eerste van de zeven verschillen met de Fortuyn-foto. Het ligt ook zo
voor de hand: het laatste wat iemand wil zien in de krant of op tv
zijn de dode ogen van een geliefde, en al helemaal niet als het een
onaangename foto is. Onze liefdesrelatie tot de overledene bepaalt dus
de keuze en waardering van een foto.
Vanaf John F.
Kennedy tot en met Herman Brood kozen kranten liever voor een mooie
archieffoto dan voor een nieuwsfoto. Typerend is de Volkskrant
van 23 november 1963. Een archieffoto van een stralende Kennedy op de
voorpagina, de foto die enkele seconden na de aanslag werd genomen en
waarop Jacqueline Kennedy zich over de gewonde president buigt stond
op pagina 7.
Als beroemde mensen
overlijden heeft de lezer dus wel behoefte aan een serie nieuwsfoto’s,
maar wel een serie waarin een bidprentje niet mag ontbreken, een mooie
foto om te bewaren. De tv-ervaring mag onvergetelijk zijn, zeker als
we live een drama kunnen zien – Jack Ruby schiet de vermoedelijke
dader van John Kennedy, Lee Harvey Oswald, dood, de ontploffing van
het ruimteveer Challenger, de aanslag op de Twin Towers – maar de
beelden zijn meestal te snel en chaotisch. Foto’s leveren details en
geven het geheugen de beelden om vast te houden. Persofoto’s maken de
gebeurtenissen begrijpelijk, geven er betekenis aan, en verankeren de
beelden die we op tv al zagen in enkele samengevatte beelden in ons
geheugen. Zo zijn ze snel bij de hand, letterlijk en figuurlijk, want
de kiosken zijn de dag na een ramp altijd uitverkocht. Deze functie
van bidprentje verklaart mede de woede over de Fortuyn-foto.
Alleen De
Telegraaf heeft, indien mogelijk, in al deze gevallen zonder
aarzelen gekozen voor de nieuwsfoto boven het bidprentje, ook als deze
foto ‘hard’ was. Als enige Nederlandse krant wist de krant de hand te
leggen op de Time/Life-foto van Martin Luther King die zwaar
gewond op het balkon ligt, terwijl mensen die bij hem waren naar een
gebouw aan de overkant van de straat wijzen waar vandaan de
sluipschutter zijn fatale schot zou hebben gelost. Van de zwaargewonde
Robert Kennedy drukte de krant vijf foto’s af (van Boris Yaro),
waaronder de foto die ook andere kranten op de voorpagina afdrukten:
een liggende Kennedy die met één oog naar een helper kijkt, een
rozenkrans ligt bij zijn handen op zijn buik, er door een priester
neergelegd.
Het is tamelijk
uitzonderlijk dat andere kranten dan De Telegraaf een foto
afdrukten van een stervende. Na 1968 zouden zij terugkeren naar het
zogenaamd ethische standpunt dat een stervende het recht heeft in
waarde te sterven, zonder camera’s erop gericht. Zo wekte de foto die
De Telegraaf op 22 oktober 1997 afdrukte van de stervende
Maarten van Traa veel verontwaardiging bij andere media. Op de
voorpaginafoto waren brandweerlieden en broeders van GG en GD bezig de
zwaar gewonde Van Traa te reanimeren in zijn autowrak. De kritici
vonden dit respectloze sensatie, des te kwalijker omdat velen bij hun
ontbijt voor het eerst met dit nieuws werden geconfronteerd. Alle
andere kranten prefereerden een flatteuze archieffoto. Hetzelfde gold
voor Herman Brood. Alleen De Telegraaf publiceerde op de
voorpagina een grote foto van een in doeken gewikkelde Brood die in
een lijkauto werd getild. Blijkbaar wilden de andere kranten Brood
liever duiden, dan wel vereeuwigen, met een bijzondere archieffoto,
dan met een nieuwsfoto die weergaf wat hij op dat papiertje had
geschreven: ‘Ik heb er geen zin meer in. Maak er maar een mooi feest
van’. Hoe dit ook zij, met ‘de werkelijkheid’ heeft dit fotobeleid
weinig van doen. Liefde en ideologie gaan boven ‘de waarheid’.
Het is een gangbare
gedachte dat sommige foto’s emoties oproepen omdat we ons met de
persoon of personen op de foto, en de situatie, kunnen identificeren.
Daarom zouden foto’s als Migrant Mother van Dorothea Lange (1936), Kim
Phuc (1972) of de hongerenden in Ethiopië en Somalië zoveel ‘impact’
hebben gehad. Identificatie én schuldgevoel. Deze faktoren spelen
ongetwijfeld mee, maar ze verklaren niet waarom dezelfde soort foto’s
in het ene tijdsgewricht tot actie leiden en in het andere
tijdsgewricht tot apathie en ‘compassion fatigue’. De ene verklaring
is simpel: zolang we denken dat we de ellende kunnen verhelpen, zullen
we last hebben van medeleven of schuldgevoel en in actie komen. Als
dat niet het geval is, kijken we niet meer of rationaliseren de
ellende weg (‘zijn/haar/hun eigen schuld’).
De andere
verklaring is dat de theorie van de identificatie en algemeen
menselijke empathie niet erg sterk is. De persfoto’s van gewelddadige
doden van Kennedy tot Fortuyn suggereren dat Dolf Zillmann, die in
Why we watch onderzocht waarom mensen zo graag naar fictie-geweld
kijken en ook naar realistisch geweld op foto of tv, gelijk heeft.
Belangrijker dan empathie, of emoties in het algemeen, is het morele
oordeel dat de kijker velt. Dit morele oordeel gaat vooraf aan en
stuurt de gevoelens van empathie. Waarschijnlijk door hun krachtige
morele component staat een negatieve houding tegenover een ander,
zeker een heftige veroordeling, ons toe om morele bezwaren over wrok
en haat te laten varen en ons te doen hopen op nog meer ongeluk en een
krachtige bestraffing. ‘Negatieve affectieve houdingen stellen ons dus
in staat om waarlijk van straffend geweld te genieten’.
Vinden we het
sowieso dus al minder erg als ver weg iemand gewelddadig om het leven
komt – krant en tv staan er dagelijks bol van – dan wanneer het mensen
overkomt die we kennen en die ons na staan (Diana, Van Traa, Brood),
als we de dode toch al verafschuwden, kunnen we veel aan. Van dictator
Nicolae Ceaucescu publiceerden de Herald Tribune, Trouw en
De Telegraaf foto’s (of stills uit video-opnamen) van vlak
voor zijn executie en vlak er na. Eind september 1997 publiceerde een
enkele krant de foto van de Afghaanse communistische leider
Najibullah, bungelend aan een balkon, opgehangen door een
Talibaan-menigte na de val van Kabul. Een Afghaan die eind jaren
zeventig door hem in de gevangenis was gegooid, zette de foto op zijn
internetsite, met als bijschrift: ‘Najibullah was een man die een veel
vreselijker dood verdiende dat hij hier kreeg’.
Dat in tijden van
oorlog foto’s van gedode vijanden graag gepubliceerd worden mag bekend
zijn. De censuur verbiedt dan publicatie van gedode landgenoten, en
zelfcensuur/patriottisme zorgt ervoor dat de meeste media hier van
harte aan meedoen. Behalve als het noodzakelijk geacht wordt het
moreel (lees: haat) van het eigen volk op te vijzelen door gesneuvelde
landgenoten te tonen, zoals Washington medio 1943 plotseling besloot.
Het ging hierbij overigens om enkele foto’s van gesneuvelde GI’s,
geheel gekleed en in tact, en op de buik liggend. Rauwe foto’s werden
niet getoond, op die beroemde foto na van de Australiër die op het
punt staat door een Japanse soldaat te worden onthoofd.
Deze morele en
ideologische beoordeling gaat nog altijd vooraf aan empathie of
hunkering naar ‘de werkelijkheid’ in zijn ‘rauwe, onversneden
gedaante’. Dat bewees begin dit jaar wel de reacties op de videotape
van de onthoofding van de Amerikaans-joodse journalist Daniel Pearl
door Pakistaanse moslim-fundamentalisten. De familie maakte bezwaar
tegen publicatie van de beelden, en Washington plaatste de beelden
onder censuur. Alleen het locale weekblad The Boston Phoenix
publiceerde eind juni een still uit deze tape: het losse hoofd van
Pearl. Op de website van het blad is een link naar de hele videofilm
waarop de drukpratende Pearl plotseling van achteren zijn keel wordt
doorgesneden. De internationale fotopersbureaus hebben de foto niet in
voorraad genomen. Uit respect? Of uit de bewuste of instinctieve
overweging dat men ‘de vijand’ deze triomf niet gunt?
Bij het besluit van
de genoemde drie kranten om de rauwe foto van Fortuyn af te drukken,
kunnen we de ideologische antipathie tegen de man zelf dus niet
uitsluiten. Toch zal Broertjes ongetwijfeld oprecht zijn in zijn
verdediging dat de redactie ‘niets anders kon doen dan u de
werkelijkheid tonen, in zijn rauwe, onversneden gedaante’. Ook in deze
zin is de vergelijking met de foto van Robert Kennedy terecht. Als we
het publicatiebeleid van de kranten, De Telegraaf uitgezonderd, sinds
de jaren zestig bezien, blijft het opmerkelijk dat zovele kranten een
stervende Kennedy afdrukten. Begrijpelijk is het wel. Net als 2002
stond 1968 bol van geweld. Beelden van geweld in zijn ‘rauwe,
onversneden gedaante’ uit Amerika en Vietnam waren dagelijkse kost in
de krant en op tv: Tet-offensief, M.L. King en in juni weer een
Kennedy.
Het jaar 1968 geldt
als keerpunt in ‘de publieke opinie’ over Vietnam: van voor naar tegen
de Amerikaanse oorlog tegen het communistische Noord-Vietnam. Hoe
ideologisch de krantenfoto’s zijn, kan men haarscherp zien aan de
beroemde foto’s van het Tet-offensief eind januari ’68, met name ‘the
most important shot’ uit de Vietnam-oorlog: de foto die Eddie Adams
maakte van de standrechtelijke executie door een Zuidvietnamese
politiechef van een opgepakte Vietcong. Er waren natuurlijk ook foto’s
van gruweldaden die de Vietcong beging, zoals van een Zuidvietnamese
officier die zijn dode kind uit zijn woning in Saigon draagt. Zijn
hele gezin was door Vietcongsoldaten doodgeschoten.
De Telegraaf
plaatste de twee foto’s onder het kopje ‘Strijd zonder genade’ op de
buitenlandpagina, onder elkaar, hoewel Adam’s executiefoto iets
kleiner. The New York Times plaatste de twee foto’s even
groot op de voorpagina. Op de voorpagina van de Volkskrant
prijkte alleen de foto van het door de Vietcong gedode kind. Het
Parool daarentegen zette Adam’s foto op de voorpagina, en op
pagina 3 nog eens, samen met de twee andere foto’s die Adams maakte,
even ervoor en even erna. Als vierde foto in het blok stond de foto
van het vermoorde kind. De fotokeuze suggereert dat de Volkskrant
begin februari 1968 nog pro-Amerikaans was, De Telegraaf (net
als the New York Times) van pro-oorlog opgeschoven was naar een
neutralere, afstandelijker houding, en dat Het Parool reeds de
zijde van de tegenstanders van de oorlog had gekozen. In de maanden
erna, zeker na de moord op M.L. King, werd Amerika zelf gelijkgesteld
met geweld. Dat kan de opmerkelijk harde foto’s van de stervende
Robert Kennedy verklaren. Dat was wellicht de ideologische boodschap
van de foto’s: Amerika is geweld.
Van alle verschillen – of het er zeven zijn weet ik niet – tussen de
foto’s van de stervende Robert Kennedy en de dode Pim Fortuyn is de
belangrijkste dat de voorpaginafoto van Kenenedy vol ‘geloof, hoop en
liefde’ is, terwijl die van Fortuyn hopeloos, eenzaam, kil en klinisch
is. Kennedy kijkt met zijn rechteroog gelaten, vragend maar vreedzaam
naar zijn helpers, omringd door helpende handen, een rozenkrans. Hier
ligt een beminde, gelovige martelaar voor het goede. Kennedy had in
Nederland altijd een goede pers gehad, dus deze indruk lag in het
verlengde van de eerdere berichtgeving over hem. Fortuyn had geen
goede pers gehad, was afgeschilderd als een dubieuze, zo niet ‘foute’
man. Veel lezers moeten de foto dus in lijn met deze eerdere
beoordelingen hebben gezien. Dat vergrootte de woede. Ze zagen er
dezelfde boodschap in die Trouw op 27 december 1989 gaf met de foto
van de geëxecuteerde Ceaucescu, waarboven stond: ‘Roemenië rekent af
met Ceaucescu’.
De foto van
fotograaf Bill Eppridge die door Life tot een icoon gemaakt
werd, in ieder Amerikaans huisgezin gehaald, is pure kunst, religieuze
kunst. Het lijkt, zoals The Photo Book het tafereel
omschrijft ‘alsof de aanwezigheid van de dood zijn eigen decorum heeft
opgelegd. Vooral het licht lijkt een religieus licht van de openbaring
en martelaarschap. Het accentueert ook die vreemde symbolische hand op
de achtergrond, die op een teken lijkt dat verbonden is met de hand
van de man in het wit en de uitgestrekte, gekruisigde arm van de
stervende man’. Foto-iconen hebben bijna altijd een religieuze context
– Maria met kind of gekruisigde Christus: Migrant Mother, Che Guevara.
Zonder een dergelijke context is de schok over een ellendig lot groot,
zoals over de foto van de vermoorde Aldo Moro, met een geknakt hoofd,
verfrommeld gedumpt achterin een Renault 4.
Ik weet niet welke
foto’s er op 6 mei ’s avonds allemaal op de redactietafels van de
genoemde kranten lagen. Maar wie de foto’s van Robert Kennedy
vergelijkt met de gewraakte foto van Fortuyn, ziet direct waarom
zovele lezers zo geschokt en boos reageerden. Zij wisten dat Fortuyn
daar drie kwartier heeft gelegen, dat ook hij omringd was door
omstanders en intimi, dat het etnisch Marokkaanse kandidaat-kamerlid
Virouze een half uur gebukt naast hem heeft gezeten, zijn hand
vasthoudend. Een foto van dat tafereel zou een icoon hebben kunnen
worden, niet deze. Op de zwartwit-foto’s uit 1968 was het bloed niet
te zien, hier al te duidelijk, en in full color. Fortuyn’s half
openhangende mond maakt een dommige indruk, alsof ie eindelijk niks
meer te zeggen heeft, geen gevat antwoord meer klaar heeft. Terwijl
omstanders onverschillig lijken toe te kijken, lijkt hij ook verlaten
door zijn intimi, overgelaten aan de vuilnismannen die hem, reeds ten
dele ingepakt in plastic, zullen afvoeren naar de stortplaats van het
mortuarium (de NRC-foto). Deze foto ontbeert het aan elke esthetiek,
elk mededogen maar geeft, belangrijkste van alles, geen enkele ruimte
voor de fantasie.
John Berger heeft
eens geschreven dat een spontaan gefotografeerde alleen betekenis
krijgt als de kijker er ‘een duur’ in kan zien, voorbij de foto. Door
een verleden en een toekomst te verlenen aan een foto, geven we er
betekenis aan. Bij de meeste fotografische iconen maken onze hersenen
er een beweging van, hoe het zo is gekomen en hoe het verder zal gaan,
ook als we weten hoe het is afgelopen, zoals bij de foto van de over
John F. Kennedy gebogen Jacqueline. Bij de gewraakte foto van Fortuyn
viel niets te fantaseren, laat staan dat hier enige geloof, hoop of
liefde, of trots, in geprojecteerd kon worden.
De ‘werkelijkheid
tonen, in zijn rauwe, onversneden gedaante’ mag loffelijk klinken,
maar de meeste kranten zelf bedienden zich in het verleden alleen van
dit middel als het ze uitkwam. De lezers/kijkers kunnen die
werkelijkheid ook slechts sporadisch aan, en vaak slechts in die
gevallen dat het ons niet echt raakt, tenzij we er een conclusie aan
kunnen verbinden. De conclusie die in de Fortuyn-foto leek te
schuilen, wilden vele lezers niet trekken, vandaar die woede. Als we
de dood moeten zien, dan toch graag met voorafgaande morele
goedkeuring van onszelf. Anders zien we het liefst beelden van de dood
als deze esthetisch gekleed gaat, en meer suggereert dan laat zien.
‘Fantasie en
inlevingsvermogen zijn niets anders dan vormen van liefde’, heeft
Herman Hesse ooit geschreven. En veel eeder schreef Goethe: ‘Je moet
over voldoende fantasie beschikken om de waarheid aan te kunne’. Zo is
het. Alleen als we met onze fantasie de werkelijkheid een eigen vorm
en betekenis kunnen geven, zijn we in staat ‘de werkelijkheid’ achter
de foto te aanvaarden. En dan is het ónze werkelijkheid, want ‘foto’s
vertellen de waarheid niet, wij geven waarheid aan de foto’s’.
Henri Beunders |