Media Matters

 

home | e-mail | English | Zoeken

In het nieuws
Publicaties         
 Boeken
 Artikelen
 Recensies
Persoonlijk           
Interactief
Contact
In het nieuws  
 

Rede gehouden op de Nationale Volkscultuurdag,, 1 oktober 2004, in de Van Nellefabriek te Rotterdam. Ingekorte versie verschenen in Trouw, Podium, 2 oktober 2004.


De beklemde elite en André Hazes

Nee, een koffie-met-cake-begrafenis was het bepaald niet. Was het Arena-Afscheid van André Hazes eind september 2004 daarom zo bijzonder? Natuurlijk. En ook omdat deze live tv-avond bijna iedereen verraste. Ook de twijfelaars – ‘kist op de middenstip?’ – werden vanaf het begin van de uitzending overrompeld door de echtheid, liefde en vriendschap die de huiskamer instraalden.

Het besef dat ongetwijfeld ook commerciële drijfveren een rol speelden bij concertorganisator Mojo en platenlabel EMI – ‘dvd!’, ‘posthume nummer 1-hit!’ – raakte snel ondergeschikt aan deze verrassing over wat vrienden voor iemand kunnen organiseren. Hoe perfect, zelfs gelikt georkestreerd en geregisseerd ook, à la Hollywood, er was bij de sprekers en muzikanten tegelijkertijd nauwelijks of geen onechtheid of tv-trucje te bekennen, ook al was de ceremoniemeester de geroutineerde stadionomroeper zelf.
Natuurlijk waren er direct de half-hysterische reacties van columnisten die er ‘rillingen’ van hadden gekregen, en ‘niets dan walging’ voelden, ook over het dat geen omroep, geen mensen aandacht hadden geschonken aan de dood van Lucebert, ‘de grootste dichter van de twintigste eeuw’.[1] Dergelijke reacties waren en zijn niets nieuws als het om de reactie gaat van de zelfbenoemde culturele elite‘ op de verkeerde uitingen’ van ‘het volk’.

Het was in mijn ogen ook en vooral om een andere reden zo’n bijzonder afscheid. Al tijdens de uitzending werden ‘deskundigen’ gebeld om de diepere betekenis van deze ‘megarouwshow’ te verklaren.[2] En dat ging de hele week zo door in de media, van sociaal-psychologen en cultureel-antropologen tot de godsdienst-socioloog aan toe. En alle afgesleten woorden als hype en hysterie, ‘volk’ en pseudo-religiositeit werden weer geuit. Ze missen de kern.

De kern van de kwestie-van-de-week was die verbazing of verbijstering bij zovele commentatoren zelf. Beseften zij plotseling dat ze op deze avond ook afscheid moesten nemen van de illusie dat de elitecultuur nog altijd dominant is over de volkscultuur? Ik vermoed dat dit voor de leden van de culturele elite – daartoe reken ik iedereen die zich verbaast over het Hazes-effect - de werkelijke schok was.
Een van de sprekers riep in herinnering hoe een dialoogje met Hazes, die hardop aan het rijmen was, verliep:

‘Ik zag je op het perron,

ik wou dat ik je kon’.

‘Eh, dat is geen Nederlands, André’.
Een sleutelpassage, met deze vraag als kern: wie bepaalt wat ‘Nederlands’ is, wat ‘cultuur’ is en ‘goede smaak’ en wat niet? De culturele elite of de massa? Het antwoord was loud and clear: de massa. Die blijkt niet met de moord op Fortuyn in het niets te zijn opgelost, maar lijkt nu wel het hele land te hebben overgenomen met zijn eigenaardige gedrag, culturele en sociale voorkeuren, en vooral sentimentaliteit.

Dit was de schok: dat er buiten hele andere dingen blijken te gebeuren dan binnen in de redactieruimtes of universitaire studeerkamers vermoed wordt. Het was dezelfde Culture Clash als bij Fortuyn, tussen ‘dat soort volk’ en ‘ons soort mensen’, het weldenkende deel der natie.
Als bewijs voor deze stelling hoeft men, via de krantendatabank, maar terug te bladeren tot 26 mei 1995, de dag na de begrafenis van de beroemde kinderboekenschrijfster Annie M.G. Schmidt. Met haar zelf geregisseerde uitvaart zette zij een trend in die gevolgd werd door steeds bontere begrafenisstoeten – Manfred Langer, Peter Giele, Sam Klepper, Miles Stutterhelm, Herman Brood, Pim Fortuyn – en die deze week een voorlopig hoogtepunt beleefde met een volle Arena voor André. Het bewijs ligt niet in de wijze van uitvaart, maar de reacties erop in de kranten.
De schrijfster wilde niet per auto, maar per rondvaartboot over de Amstel naar Zorgvlied. Niet in het zwart, maar in het roze, en alles zo feestelijk mogelijk. En zo gebeurde het, roze, paarse en zomerse kledij alom. NRC Handelsblad schreef: ‘Wie niet beter wist zou zich op een bijeenkomst van de Bhagwan wanen’.[3] Tijdens de dienst werd er, zo kunnen we lezen, meer gelachen dan gehuild. En als afsluiting klonk een medley van bekende versjes en liedjes die Harry Bannink samen met de schrijfster had samengesteld. Dagblad Trouw schreef: ‘De menigte die ze buiten via de luidsprekers volgde, wist er onmiddellijk de woorden bij. Eerst nog wat aarzelend, toen steeds harder zongen de begrafenisgangers ‘Schipbreukeling’ en ‘Op een mooie Pinksterdag’. Sommigen waagden er zelfs een dansje bij. Zo werd het toch nog feest’, aldus de verslaggever Jolan Douwes die over het geheel oordeelde: ‘Bij een recalcitrante schrijfster hoort nu eenmaal een begrafenisstoet met een eigen wil’.[4]

Wie proeft hier niet het contrast tussen de ernst en instemming waarmee de kwaliteitskranten toen de feestbegrafenis beschreven, en de half-geschokte reacties deze week op die ‘uitbarsting van massa-emoties’ rond het zingende icoon Hazes?

Het tweede contrast is het aantal begrafenisgangers. Bij Annie M.G. Schmidt waren het er zo’n 300, veel minder dan was verwacht. Bij André Hazes waren het er zo’n 50.000 – naast de vijf tot acht miljoen tv-kijkers - ‘ietsje’ meer dan verwacht.
Het grote verschil tussen beide uitvaarten was dus niet het bonte karakter ervan, maar de angst bij sommige commentatoren dat de ‘volkscultuur’ de ‘oude elitecultuur’ en de ‘gemoderniseerde elitecultuur’ van de VPRO van Annie M.G. Schmidt, sinds maandagavond definitief heeft verdreven. Verslagen, om in Arena-termen te blijven. Alsof, het hele gebouw van de Verlichting en het Beschavingsoffensief, de Canon en de High Culture (inclusief de antiautoritaire variant) in één avond aan diggelen is gegaan.

En de volkse (en dus gevaarlijk geachte) Romantiek, met zijn anti-intellectuele sentimentaliteit en weigering een rationele verantwoording af te leggen voor gedrag of smaak, heeft gezegevierd. Al in 1972 sprak de vroegere kunstpaus van NRC Handelsblad, K.L.Poll, van ‘de beklemde elite’. Hij doelde op ‘de oude elite’, en streed tegen de modieuze egalitaire opvattingen van de ‘anti-elitaire elitebladen’ uit die tijd, VN, De Groene etcetera.[5] Tevergeefs. De ‘VPRO-generatie’ won. En voelt zich nu op haar beurt ‘de beklemde elite’

Het laddertje waarop deze huidige culturele elite staat wordt steeds korter. Maar misschien moeten we het anders formuleren. De culturele elite is zelf allang tot voorbij halverwege of lager afgedaald, van de zelfgebouwde Olympus, tot op de tribune van het voetbalstadion toe. En ook daarbuiten zijn ‘de molshopen’ van de populaire cultuur, de volkscultuur en mediacultuur steeds breder en hoger worden. Ja, ze hebben misschien al wel over onze hele cultuur omgewoeld. Weer anders gezegd: leven we niet allemaal allang in ‘de Arena van de volkscultuur’?

Dat de massacultuur niet is geworden wat de protestgeneratie ervan verwachtte, is duidelijk.

Ook hier herhaal ik wat K.L. Poll ruim dertig jaar geleden schreef in zijn tirade tegen de doorgeslagen democratisering aan de universiteiten en in de kunst. Hij noemde de linkse anti-elite net zo erg als de oude, deftige elite. Alleen maar schamperen op ‘de zwijgende meerderheid’. ‘Zij hebben een devote eerbied voor ‘het volk’ als abstractie, maar zodra dat volk een concrete gedaante aanneemt – als Telegraaf-volk, als Gijsens kerkvolk, als Lunsvolk, als Tros-volk – krijgt het er, met recht vaak, van langs’.[6]

En zo is in 2004 nog steeds. Er is maar één gedaante waarin ‘het volk’ zich mag vertonen. Dat is zoals vandaag op de Dam in Amsterdam, demonstrerend tegen rechtse regeringsbeleid. Zo hoort ‘het volk’ zich te gedragen. In politiek verzet, behalve als het om cultuur gaat.

Ik wil geen loftrompet steken op ‘het volk’, of op ‘de volkscultuur’ – daarvoor is ‘de volkscultuur’ veel te divers met ook veel te veel verschillende soorten ‘beoefenaars’- noch het recht van bestaan van een culturele elite hekelen, integendeel zelfs. Hooguit wil ík schamperen over de politieke elite die sinds Fortuyn en 2002 spontaan in de houding springt als het woord ‘volk’ geroepen wordt. En die na de dood van Hazes direct riep dat het een ‘enórm verlies voor de Nederlandse cultuur’ was.

Als het gaat om elitecultuur of volkscultuur, zeg ik: ieder het zijne, en waarom niet allebei. Je kunt kunst en cultuur zien als leer- en geneesmiddel, of als genotsmiddel. Ik zie niet in waarom we niet al die middelen zouden slikken. Het is net als met eten - de schijf van vijf - van alles wat en dan komt het wel goed met de wereld en met jezelf.

Wat mij tegenstaat is het belerende toontje als het gaat om sommige leden van de culturele elite, en het gebrek aan zelfbewustzijn als het gaat om sommige mensen die zich met volkscultuur bezig houden, niet u natuurlijk.

Al diegenen die zich zo kritisch uitlaten over de Hazes-cultuur van heden, hebben in feite de pretentie de macht op te eisen over het doen en laten van de medeburgers, en te bepalen wat iedereen mooi moet vinden en wat lelijk.
Die tijd is echter allang voorbij. Bij het ontbreken van maatstaven is elke kritiek een elitaire poging tot dominantie. Dat is dus wat ze zouden moeten doen, maatstaven proberen te ontwikkelen - of zelf veel aantrekkelijker cultuur maken natuurlijk – en niet elke column volschrijven over die vermaledijde cultuur van het volk, met zijn Big Brother, zijn Idols en wat niet al voor culturele wanpraktijken.

Het lijkt erop alsof de identiteit van de elitecultuur er nog vooral uit bestaat waar men tegen is, niet waar men voor is, of wat men zelf is.

Toch lijken al die columns van ‘de beklemde elite’ nog altijd enigszins aan het zelfvertrouwen te knagen van menigeen die zich met volkscultuur bezighoudt.

Albert van der Zeijden heeft in zijn zeer heldere essay ‘Volkscultuur van en voor een breed publiek’ de theoretische premissen en conceptuele uitgangspunten van de discussie erover voortreffelijk uiteengezet.[7]

De ontwikkeling van de discussie over volkskunde, volkscultuur en public folklore hoef ik hier dus niet te herhalen.

De geur die ik er echter ook opsnoof was die van lichte onzekerheid van sommigen die zich met volkscultuur bezighouden: als amateur, professional of wetenschapper. En dan denk ik, waarom in godsnaam? Ja, argumentatie van het belang van volkscultuur snap ik als noodzakelijk middel om subsidie los te peuteren van de overheid, dat snap ik. Maar waarom nog meer? Waarom zou je je verdedigen als je iets leuk vindt om te doen of te bestuderen - zolang het binnen de wet is natuurlijk?

Is het onbekommerde zelfbewustzijn niet juist het jaloers makende van volkscultuur? Die zelfvergetelheid van de hobbyist die met fijne vingers en pincet zeilboten in flessen tovert, dat gezellige samenzijn tijdens het beschilderen van Hindelopense kolenkitten, of de obsessieve drang de vraag te bestuderen waarom de enkelvoudige kus is vervangen door de dubbele kus, toen door de driedubbele kus, en inmiddels is overgegaan in de driedubbele luchtkus?

 

De elite baseert zich vooral op de cultuur van derden, op de canon van overgeleverde voorkeuren voor het beste, en dit alles zo rationeel mogelijk beredeneerd en uitgelegd. In dat laatste geloofde de reeds genoemde liberale kunstcriticus K.L. Poll. Hij geloofde dat iedereen de behoefte heeft zijn oordeel over de waarde van wat hij leest, ziet of hoort, tegenover zichzelf en de buitenwereld, te motiveren. En dat men daarom een beroep moet doen op argumenten, en dus op regels die ook anderen aanspreken. En hij geloofde dat dit kan. Citaat: ‘’de persoonlijke smaak – en daarmee de eigen soevereine individualiteit – is verdedigbaar’’.[8]

De vraag is of dit niet een misvatting is.

Is het niet zo dat volkscultuur zichzelf schept, er gewoon is? Men denkt er niet zo veel bij na waarom het zo is, vraagt zich niet voortdurend af of anderen het wel goed en mooi vinden.

Dat lijkt mij de kracht van de volkscultuur. De elitecultuur vertrouwt zelden op zijn eigen instincten, wil altijd eerst even te rade gaan bij wat anderen, de recensenten, de critici, de vrienden, ervan vinden: van dat varkentje van Koons of de tweede roman van Donna Tart.
Niet alleen lijken de gedragingen en oordelen van de plegers of genieters van volkscultuur en elitecultuur dus anders te zijn. De oorsprong van beide vormen van cultuur is ook verschillend. Volkscultuur is basaal, gevoelsmatig, een uiting van directe ervaring (inclusief de negatieve kanten zoals vooroordelen).
Elitecultuur kan zelf ook impulsief zijn, zoals de moderne schilderkunst. Maar toch elitecultuur in zijn algemeenheid de gerationaliseerde verklaring van de werkelijkheid die anderen voor je construeren, en waar jij dan op mag ‘reageren’, in het museum zelf of in een tegen-essay.

Tot die rationele, moderne wereld behoort ook de krant, die – als moderne schrijvers onder elkaar – wél Annie M.G.Schmidt haar bonte uitvaart gunde, maar zich na Arena-André verbaasd afvraagt wat er met de wereld om haar heen is gebeurd.

Mij is gevraagd het ook over de relatie tussen volkscultuur en integratie te hebben. Welnu, degenen die zich zo verbaasd of gestoord hebben aan André Hazes hebben misschien wel als eerste een inburgeringscursus in de volkscultuur nodig.
De redenen waarom de elitecultuur het zo moeilijk heeft - en de krant ook - en de volkscultuur het pleit lijkt te hebben gewonnen zijn talrijk en complex. Hier kunnen alleen de trefwoorden gegeven worden: bestuurlijke technocratie en reglementering van het hele leven van file heen, kantoor en weer file terug.

En het volk heeft tv, heeft internet, heeft voetbal, en heeft de massa mee, wat commercieel gesproken in deze turbokapitalistische tijden dus sowieso het interessantst is.

Maar in wezen gaat het niet om geld. Het zogenaamde ‘volk’ geeft in één jaar meer uit in de Mediamarkt dan een viool en vijf jaar vioolles tezamen kosten. Een kaartje voor Madonna is even duur als eentje voor het Concertgebouw. Wat zeg ik: een kaartje voor The Phantom of the Opera was zelfs twee keer zo duur.
Miljoenen mensen vinden een musical simpelweg veel leuker dan een opera. In die zin is het beschavingsoffensief gewoon mislukt, met dank aan de radicale kunstenaars en leraren van de jaren zeventig die kunst zelf met een kleine k gingen schrijven en vonden dat ieders mening even waardevol is. Maar dit ten overvloede.

Ik begrijp al die bezorgdheid helemaal niet. En ook niet wat die critici van de volkscultuur zelf dan voor leven leiden, of voor het ideale leven houden.

Wat maakt het eigenlijk uit of mensen dingen doen uit verveling, uit nostalgie of om een nieuw houvast te vinden in rituele handelingen of oude gebruiken, samen met anderen?

Dat de naoorlogse volkscultuur in opmars is, is al sinds de eerste nostalgiegolf van de hippies en rommelmarkten in de jaren zestig duidelijk. Modernisering, anonimisering, individualisering, bureaucratisering, en noem al die andere ringen maar op, ze hebben een groot verlangen opgewekt naar premoderne gebruiken en samenlevingsvormen.

Maar, en dat is het nieuwe sinds de jaren negentig, de volkscultuur wordt nu ook gekenmerkt door allerlei postmoderne, nieuwerwetse cultuuruitingen.

Je kunt van de Arena-uitvaart van André veel zeggen maar niet dat het premodern was. Ja, misschien in de kern – een plattelandsbegrafenis waar iedereen op afkomt - maar niet in de uitvoering: moderner kan het haast niet. Zijn liederen waren premodern, natuurlijk: een lange eenzame schreeuw om troost, erkenning, verlossing en samenzijn. Maar zijn entourage maakte er wel een bijna commerciële, geraffineerde media-show van.

Net zoals de mentaal misschien premoderne Frans Bauer in zijn reality-tv-serie De Bauers ook een toonbeeld was van 21e eeuwse marketing en vertier. Nog een ei kunnen koken, maar met een mobieltje aan elk oor.

Dat lijkt de grote frustratie te zijn van de elitecultuur van tegenwoordig. Hoe postmodern en anti-autoritair ze zich ook voordoet, in wezen blijft ze aan allerlei beoordelingskaders gebonden.

Volkscultuur heeft daarom een grote voorsprong, is veel vrijer, en is – hoe vreemd dat ook moge klinken – in sommige opzichten dus progressiever dan de elitecultuur die zichzelf al decennia lang gevangen houdt in de dwangbuis van het gesubsidieerde ‘vernieuwingsstalinisme’, zoals journalist Maarten Huygen de VPRO-programma’s eens noemde.
Als ik zeg dat het geen kwaad zou kunnen als de culturele elite werd aangemeld voor een inburgeringscursus in de volkscultuur, wil ik hiermee niet zeggen dat de scheidslijnen nog zo duidelijk zijn als in de afgelopen anderhalve eeuw, toen het feestende gepeupel paling trok, en de hoge burgerij in het Concertgebouw of Museum vertoefde – met bijna religieuze plechtigheid op het gezicht.

Het volk heeft in de twintigste eeuw de media veroverd, en Arena-André heeft de laatste gelovigen in de elitecultuur met een schok het besef bijgebracht dat de volkscultuur de elitecultuur heeft verdrongen.
Maar in feite is het niet alleen het bewijs dat de volkscultuur zich geheel heeft geëmancipeerd en zeer zelfbewust doet waar men zin in heeft. Het is ook het gevolg van het feit dat grote delen van de culturele elite zelf van die zelfgebouwde Olympus zijn afgedaald naar de begane grond van de televisie, het voetbalveld, de huur-video en de Nicki French.

En als er nog zo veel high culture wordt gemaakt – wat het geval is want veel cultuur is van hoge klasse – is het waarschijnlijk eerder omdat er zo veel zelfbewuste volkscultuur is, en bijna iedereen ervan droomt zich cultureel te uiten of rijk en beroemd te worden, dan dat de elitecultuur zelf nieuwe elitecultuur voortbrengt.

De Europese eenwording, de globalisering en de komst van de multiculturele samenleving hebben de trend naar meer aandacht en waardering voor volkscultuur de afgelopen 15 jaar aanzienlijk vergroot. Wat misschien begon als aapjes-kijken op het Caribische Zomerfestival in Rotterdam, kan veranderd zijn in een zeker gevoel van jaloezie en het besef dat de eigen gewoonten en gebruiken ook helemaal zo gek nog niet zijn.

Dat is een van de positieve gevolgen van de multiculturele samenleving. En ik ben helemaal niet zo bang, zoals sommige pessimisten, dat volkscultuur uiteindelijk zal uitmonden in een gesundenes Volksempfinden.

Dat zijn reacties van de beklemde elite, die beklemd zit in de draaideur van de eigen oude maar versleten culturele canon buiten, en de huiselijke warmte binnen, die echter wel door ánderen - gewone mensen - is gecreëerd.

Dames en heren,

ik ben niet blij met dat verschrompelde zelfbewustzijn van de hedendaagse culturele elite. Kritische en creatieve geesten heb je altijd nodig. Zowel door afkeer als door adoratie wordt je verblind, en belet goed om je heen te kijken wat er werkelijk gebeurt in het gewone dagelijkse leven.

Sommige uitingen van volkscultuur – Hell’s Angels, musicals, braderieën, tatoeages é tutti quanti - mogen een protest zijn tegen de ‘robottisering’ van het leven, en sommige uitingen – spontaneous shrines van bloemen bij elke beroemde dode of onbekend verkeersslachtoffer – mogen soms een teken van naïveteit of onvolwassenheid zijn, maar in alle gevallen wordt deze volkscultuur toch gekenmerkt door zelfbewuste menselijkheid en spontaniteit.

Wat is dan, zo zal men zich afvragen, ‘het belang van kennis van de immateriële cultuur?’

Laat ik eerst dit zeggen.

Ik zag een mooie tentoonstelling in het Nederlands Fotomuseum hier in Rotterdam, Snapshots geheten.

In de vuistdikke catalogus werd de schrijver Italo Calvino geciteerd die in zijn verhaal ‘’Adventures of a photographer’’ dit schreef:

‘’And the life that you live in order to photograph it is already a memory of itself at its beginning’’.[9]

Als historicus zeg ik: Ja, probeer zo veel mogelijk te bewaren en te bestuderen. Maar als mens zeg ik: laten we wel waken voor de totale musealisering van het dagelijkse leven. Dan belanden we namelijk nog meer in de situatie van de zichzelf permanent gade slaande mens, die altijd bezig is met zijn eigen imago en de vraag waarom ie precies doet wat ie doet, voelt wat ie voelt.

Ook al is een hogere status goed voor de subsidie, ik geloof, zoals Van der Zeijden ook beschrijft, diegenen die zeggen dat te veel ernst en verwetenschappelijking verstarring in de hand werkt.
Maar als de vraag moet worden beantwoorden wat het belang is van kennis van de immateriële cultuur, dan is het antwoord eigenlijk heel simpel:

Omdat in deze materialistische wereld, deze technocratische en bureaucratische wereld, de behoefte zo enorm is toegenomen aan het immateriële, het gewone, en alledaagse. En dat is niet alleen een sociaal, cultureel, of toeristisch-economisch feit, maar ook een politiek feit. Dat heeft 2002 wel laten zien.

Onze tijd wordt gekenmerkt door een mix van moderne, postmoderne en premoderne eigenschappen, door een mix van materiële eisen en in toenemende mate immateriële eisen, door individualisme en behoefte aan collectieve volksheid. Kortom, ik zou deze tijd willen kenmerken als een tijd van reactionair-modernisme.
Wie deze dubbelzinnige, maar ook erg dynamische, mix niet begrijpt, begrijpt weinig van de maatschappij waarin we nu leven. Als we onze eigen volkscultuur – lokaal, regionaal of hoe ook gegroepeerd – niet begrijpen, kunnen we ook nooit een gelijkwaardige partner zijn in de multiculturele samenleving van heden. De diversiteit van de huidige multiculturele samenleving, met zijn claims en regelrechte Culture Wars over hoofddoekjes en wat niet al, vereist een veel grotere nadruk op het belang van de bestudering en conservering van de cultuur van alledag. Van de ander, en van onszelf.

Volkscultuur is onbekommerd zelfbewustzijn, en dat is tolerant, menslievend en spontaan. Niet hiërarchisch, laat staan fanatiek.

Het creëren van een nieuwe Canon voor de hoge cultuur en voor alles wat we aan geschiedenis moeten leren op school, vind ik een belangrijke zaak. Die is noodzakelijk voor het Grote Verhaal dat een natie, ook een multiculturele natie, bij elkaar moet houden. Ook op dit punt laat de huidige culturele elite het afweten.

Maar dit kan heel goed samengaan met de opwaardering van de volkscultuur. Juist omdat de volkscultuur zo dominant is geworden, vormen de kennis en het onderwijzen ervan de belangrijkste weg naar een tolerante samenleving die zich zelf kent en waardeert. Daar ben ik van overtuigd.

   

Henri Beunders

Hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur

Erasmus Universiteit Rotterdam


[1] Bv Elsbeth Etty, Volk van gabbers, in: NRC Handelsblad, 29 september 2004, p.9.

[2] Zelf werd ik nog tijdens de uitzending gebeld of ik binnen een uur in Hilversum wilde zijn, en de dag erop belde een bezorgde redactie van opiniepagina van Trouw of ik geen opiniestuk wilde schrijven over de vraag ‘waar dit alles wel niet moet eindigen’.

[3] NRC Handelsblad, 26 mei 1995.

[4] Trouw, 26 mei 1995.

[5] K.L. Poll, De beklemde elite. Meulenhoff Amsterdam 1972, 155-162.

[6] Idem, 150.

[7] Albert van der Zeijden, Volkscultuur van en voor een breed publiek. Enkele theoretische permissen en conceptuele uitgangspunten. Nederlands Centrum voor Volkscultuur. Utrecht 2004.

[8] K.L. Poll, a.w.: hierin: Het gevoel van ook, p.170.

[9] Christian Skrein, Snapshots. The Eye of the Century. Hatje Crantz Verlag Ostfildern-Ruit 2004, p. 19.

 

 
 

                                   

Op deze pagina vindt u de tekst van een lezing, gehouden op de Nationale Volkscultuurdag. Ingekorte versie is verschenen in Trouw, 2 oktober 2004

- Artikel, Irak: Nederlandse media gijzelen zichzelf, december 2004
- Lezing, De beklemmende elite en Andre hazes, 2 oktober 2004
- Artikel de Gids, Nederlanders zijn anti-koloniaal of het verlangen naar getto's, mei/juni 2004
- Ingezonden brief, Columnisten tonen liever hun gelijk dan hun hart, de Volkskrant, 26 maart 2004
- Artikel, het verleden is een koektrommel? de Volkskrant, 25 februari 2004
- Ingezonden brief, Waarom die taboeïsering van het Huis der Historie? de Volkskrant, 25 februari 2003
- Artikel, Fragment, Trouw 3 maart 2003
- Opinie, Beheerst weldenkend, NRC Handelsblad 1 februari 2003
- Opinie, Met Cohen is het nu Amsterdam vs Rotterdam, Volkskrant, 21 januari 2003
- Opinie, De verstandige kiezer bestaat niet, 17 januari 2003
- Opinie, The medium is not the message, Volkskrant 14 januari 2003
- Interview, Het dedain van de elite stoort mij enorm, Groene Amsterdammer, 21 december 2002
- Opinie, Florida-toestanden dreigen bij verkiezingen, 25 November 2002
- Artikel, Elite: stop het schelden, 19 september 2002
- Artikel, De indruk van een afdruk, 17 augustus 2002
- Artikel, De koploze revolutie in Fort Knox, 15 mei 2002, 23.30 uur
- Opinie AD, De 151e zetel voor Pim, 7 mei 2002
- Een ooggetuigeverslag 6 mei 2002
- Interview P magazine, De onstuitbare opmars van de emotiecultuur - mei 2002
- Artikel, the medium is not the message, 5 mei 2002
- Interview Humanist, mei 2002
- Interview Erasmus Magazine - 25 april 2002
- Artikel, Kern Fortuyn's succes: reactionair modernisme - NRC, 23 maart 2002
- Opinie, Journalisten moeten pen scherpen - Volkskrant, 13 maart 2002
- Interview Flair magazine -  maart 2002
- Interview HP de Tijd - 15 februari 2002
- Opinie, Fortuyn en de Emo-revolutie - Trouw, 13 februari 2002
- De Maxima Show - Elsevier 9 februari 2002
- Interview Volkskrant - 2 februari 2002

Alle documenten zijn beschikbaar in PDF formaat. U heeft hier Acrobat Reader voor nodig. Wanneer u dit nog niet heeft geïnstalleerd kunt u het hier gratis downloaden.

Adobe PDF

 


webmaster

Best viewed with Internet Explorer 5.0 or higher