|
Rede gehouden op
de Nationale Volkscultuurdag,, 1 oktober 2004, in de Van Nellefabriek
te Rotterdam. Ingekorte versie verschenen in Trouw, Podium, 2 oktober
2004.
De beklemde elite en André Hazes
Nee, een
koffie-met-cake-begrafenis was het bepaald niet. Was het
Arena-Afscheid van André Hazes eind september 2004 daarom zo
bijzonder? Natuurlijk. En ook omdat deze live
tv-avond bijna iedereen verraste. Ook de twijfelaars – ‘kist op de
middenstip?’ – werden vanaf het begin van de uitzending
overrompeld door de echtheid, liefde en vriendschap die de huiskamer
instraalden.
Het besef dat
ongetwijfeld ook commerciële drijfveren een rol speelden bij
concertorganisator Mojo en platenlabel EMI – ‘dvd!’, ‘posthume
nummer 1-hit!’ – raakte snel ondergeschikt aan deze verrassing
over wat vrienden voor iemand kunnen organiseren. Hoe perfect, zelfs
gelikt georkestreerd en geregisseerd ook, à la Hollywood, er was bij
de sprekers en muzikanten tegelijkertijd nauwelijks of geen onechtheid
of tv-trucje te bekennen, ook al was de ceremoniemeester de
geroutineerde stadionomroeper zelf.
Natuurlijk waren er direct de half-hysterische reacties van
columnisten die er ‘rillingen’ van hadden gekregen, en ‘niets
dan walging’ voelden, ook over het dat geen omroep, geen mensen
aandacht hadden geschonken aan de dood van Lucebert, ‘de grootste
dichter van de twintigste eeuw’.
Dergelijke reacties waren en zijn niets nieuws als het om de reactie
gaat van de zelfbenoemde culturele elite‘ op de verkeerde
uitingen’ van ‘het volk’.
Het was in mijn
ogen ook en vooral om een andere reden zo’n bijzonder afscheid. Al
tijdens de uitzending werden ‘deskundigen’ gebeld om de diepere
betekenis van deze ‘megarouwshow’ te verklaren.
En dat ging de hele week zo door in de media, van sociaal-psychologen
en cultureel-antropologen tot de godsdienst-socioloog aan toe. En alle
afgesleten woorden als hype en hysterie, ‘volk’ en
pseudo-religiositeit werden weer geuit. Ze missen de kern.
De kern van de
kwestie-van-de-week was die verbazing of verbijstering bij zovele
commentatoren zelf. Beseften zij plotseling dat ze op deze avond ook
afscheid moesten nemen van de illusie dat de elitecultuur nog altijd
dominant is over de volkscultuur? Ik vermoed dat dit voor de leden van
de culturele elite – daartoe reken ik iedereen die zich verbaast
over het Hazes-effect - de werkelijke schok was.
Een van de sprekers riep in herinnering hoe een dialoogje met Hazes,
die hardop aan het rijmen was, verliep:
‘Ik zag je op het
perron,
ik wou dat ik je
kon’.
‘Eh, dat is geen
Nederlands, André’.
Een sleutelpassage, met deze vraag als kern: wie bepaalt wat
‘Nederlands’ is, wat ‘cultuur’ is en ‘goede smaak’ en wat
niet? De culturele elite of de massa? Het antwoord was loud
and clear: de massa. Die blijkt niet met de moord op Fortuyn in
het niets te zijn opgelost, maar lijkt nu wel het hele land te hebben
overgenomen met zijn eigenaardige gedrag, culturele en sociale
voorkeuren, en vooral sentimentaliteit.
Dit was de schok:
dat er buiten hele andere dingen blijken te gebeuren dan binnen in de
redactieruimtes of universitaire studeerkamers vermoed wordt. Het was
dezelfde Culture Clash als
bij Fortuyn, tussen ‘dat soort volk’ en ‘ons soort mensen’,
het weldenkende deel der natie.
Als bewijs voor deze stelling hoeft men, via de krantendatabank, maar
terug te bladeren tot 26 mei 1995, de dag na de begrafenis van de
beroemde kinderboekenschrijfster Annie M.G. Schmidt. Met haar zelf
geregisseerde uitvaart zette zij een trend in die gevolgd werd door
steeds bontere begrafenisstoeten – Manfred Langer, Peter Giele, Sam
Klepper, Miles Stutterhelm, Herman Brood, Pim Fortuyn – en die deze
week een voorlopig hoogtepunt beleefde met een volle Arena voor André.
Het bewijs ligt niet in de wijze van uitvaart, maar de reacties erop
in de kranten.
De schrijfster wilde niet per auto, maar per rondvaartboot over de
Amstel naar Zorgvlied. Niet in het zwart, maar in het roze, en alles
zo feestelijk mogelijk. En zo gebeurde het, roze, paarse en zomerse
kledij alom. NRC Handelsblad
schreef: ‘Wie niet beter wist zou zich op een bijeenkomst van de
Bhagwan wanen’.
Tijdens de dienst werd er, zo kunnen we lezen, meer gelachen dan
gehuild. En als afsluiting klonk een medley van bekende versjes en
liedjes die Harry Bannink samen met de schrijfster had samengesteld.
Dagblad Trouw schreef: ‘De menigte die ze buiten via de luidsprekers
volgde, wist er onmiddellijk de woorden bij. Eerst nog wat aarzelend,
toen steeds harder zongen de begrafenisgangers ‘Schipbreukeling’
en ‘Op een mooie Pinksterdag’. Sommigen waagden er zelfs een
dansje bij. Zo werd het toch nog feest’, aldus de verslaggever Jolan
Douwes die over het geheel oordeelde: ‘Bij een recalcitrante
schrijfster hoort nu eenmaal een begrafenisstoet met een eigen wil’.
Wie proeft hier
niet het contrast tussen de ernst en instemming waarmee de
kwaliteitskranten toen de feestbegrafenis beschreven, en de
half-geschokte reacties deze week op die ‘uitbarsting van
massa-emoties’ rond het zingende icoon Hazes?
Het tweede contrast
is het aantal begrafenisgangers. Bij Annie M.G. Schmidt waren het er
zo’n 300, veel minder dan was verwacht. Bij André Hazes waren het
er zo’n 50.000 – naast de vijf tot acht miljoen tv-kijkers -
‘ietsje’ meer dan verwacht.
Het grote verschil tussen beide uitvaarten was dus niet het bonte
karakter ervan, maar de angst bij sommige commentatoren dat de
‘volkscultuur’ de ‘oude elitecultuur’ en de ‘gemoderniseerde
elitecultuur’ van de VPRO van Annie M.G. Schmidt, sinds maandagavond
definitief heeft verdreven.
Verslagen, om in Arena-termen te blijven. Alsof, het hele gebouw van
de Verlichting en het Beschavingsoffensief, de Canon en de High Culture
(inclusief de antiautoritaire variant) in één avond aan diggelen is
gegaan.
En de volkse (en
dus gevaarlijk geachte) Romantiek, met zijn anti-intellectuele
sentimentaliteit en weigering een rationele verantwoording af te
leggen voor gedrag of smaak, heeft gezegevierd. Al in 1972 sprak de
vroegere kunstpaus van NRC
Handelsblad, K.L.Poll, van ‘de beklemde elite’. Hij doelde op
‘de oude elite’, en streed tegen de modieuze egalitaire
opvattingen van de ‘anti-elitaire elitebladen’ uit die tijd, VN,
De Groene etcetera.
Tevergeefs. De ‘VPRO-generatie’ won. En voelt zich nu op haar
beurt ‘de beklemde elite’
Het laddertje
waarop deze huidige culturele elite staat wordt steeds korter. Maar
misschien moeten we het anders formuleren. De culturele elite is zelf
allang tot voorbij halverwege of lager afgedaald, van de zelfgebouwde
Olympus, tot op de tribune van het voetbalstadion toe. En ook
daarbuiten zijn ‘de molshopen’ van de populaire cultuur, de
volkscultuur en mediacultuur steeds breder en hoger worden. Ja, ze
hebben misschien al wel over onze hele cultuur omgewoeld. Weer anders
gezegd: leven we niet allemaal allang in ‘de Arena van de
volkscultuur’?
Dat de massacultuur
niet is geworden wat de protestgeneratie ervan verwachtte, is
duidelijk.
Ook hier herhaal ik
wat K.L. Poll ruim dertig jaar geleden schreef in zijn tirade tegen de
doorgeslagen democratisering aan de universiteiten en in de kunst. Hij
noemde de linkse anti-elite net zo erg als de oude, deftige elite.
Alleen maar schamperen op ‘de zwijgende meerderheid’. ‘Zij
hebben een devote eerbied voor ‘het volk’ als abstractie, maar
zodra dat volk een concrete gedaante aanneemt – als Telegraaf-volk,
als Gijsens kerkvolk, als Lunsvolk, als Tros-volk – krijgt het er,
met recht vaak, van langs’.
En zo is in 2004
nog steeds. Er is maar één gedaante waarin ‘het volk’ zich mag
vertonen. Dat is zoals vandaag op de Dam in Amsterdam, demonstrerend
tegen rechtse regeringsbeleid. Zo hoort ‘het volk’ zich te
gedragen. In politiek verzet, behalve als het om cultuur gaat.
Ik wil geen
loftrompet steken op ‘het volk’, of op ‘de volkscultuur’ –
daarvoor is ‘de volkscultuur’ veel te divers met ook veel te veel
verschillende soorten ‘beoefenaars’- noch het recht van bestaan
van een culturele elite hekelen, integendeel zelfs. Hooguit wil ík
schamperen over de politieke elite die sinds Fortuyn en 2002 spontaan
in de houding springt als het woord ‘volk’ geroepen wordt. En die
na de dood van Hazes direct riep dat het een ‘enórm verlies voor de
Nederlandse cultuur’ was.
Als het gaat om
elitecultuur of volkscultuur, zeg ik: ieder het zijne, en waarom niet
allebei. Je kunt kunst en cultuur zien als leer- en geneesmiddel, of
als genotsmiddel. Ik zie niet in waarom we niet al die middelen zouden
slikken. Het is net als met eten - de schijf van vijf - van alles wat
en dan komt het wel goed met de wereld en met jezelf.
Wat mij tegenstaat
is het belerende toontje als het gaat om sommige leden van de
culturele elite, en het gebrek aan zelfbewustzijn als het gaat om
sommige mensen die zich met volkscultuur bezig houden, niet u
natuurlijk.
Al diegenen die
zich zo kritisch uitlaten over de Hazes-cultuur van heden, hebben in
feite de pretentie de macht op te eisen over het doen en laten van de
medeburgers, en te bepalen wat iedereen mooi moet vinden en wat
lelijk.
Die tijd is echter allang voorbij. Bij het ontbreken van maatstaven is
elke kritiek een elitaire poging tot dominantie. Dat is dus wat ze
zouden moeten doen, maatstaven proberen te ontwikkelen - of zelf veel
aantrekkelijker cultuur maken natuurlijk – en niet elke column
volschrijven over die vermaledijde cultuur van het volk, met zijn Big
Brother, zijn Idols en wat niet al voor culturele wanpraktijken.
Het lijkt erop
alsof de identiteit van de elitecultuur er nog vooral uit bestaat waar
men tegen is, niet waar men voor is, of wat men zelf is.
Toch lijken al die
columns van ‘de beklemde elite’ nog altijd enigszins aan het
zelfvertrouwen te knagen van menigeen die zich met volkscultuur
bezighoudt.
Albert van der
Zeijden heeft in zijn zeer heldere essay ‘Volkscultuur van en voor
een breed publiek’ de theoretische premissen en conceptuele
uitgangspunten van de discussie erover voortreffelijk uiteengezet.
De ontwikkeling van
de discussie over volkskunde, volkscultuur en public
folklore hoef ik hier dus niet te herhalen.
De geur die ik er
echter ook opsnoof was die van lichte onzekerheid van sommigen die
zich met volkscultuur bezighouden: als amateur, professional of
wetenschapper. En dan denk ik, waarom in godsnaam? Ja, argumentatie
van het belang van volkscultuur snap ik als noodzakelijk middel om
subsidie los te peuteren van de overheid, dat snap ik. Maar waarom nog
meer? Waarom zou je je verdedigen als je iets leuk vindt om te doen of
te bestuderen - zolang het binnen de wet is natuurlijk?
Is het onbekommerde
zelfbewustzijn niet juist het jaloers makende van volkscultuur? Die
zelfvergetelheid van de hobbyist die met fijne vingers en pincet
zeilboten in flessen tovert, dat gezellige samenzijn tijdens het
beschilderen van Hindelopense kolenkitten, of de obsessieve drang de
vraag te bestuderen waarom de enkelvoudige kus is vervangen door de
dubbele kus, toen door de driedubbele kus, en inmiddels is overgegaan
in de driedubbele luchtkus?
De elite baseert
zich vooral op de cultuur van derden, op de canon van overgeleverde
voorkeuren voor het beste, en dit alles zo rationeel mogelijk
beredeneerd en uitgelegd. In dat laatste geloofde de reeds genoemde
liberale kunstcriticus K.L. Poll. Hij geloofde dat iedereen de
behoefte heeft zijn oordeel over de waarde van wat hij leest, ziet of
hoort, tegenover zichzelf en de buitenwereld, te motiveren. En dat men
daarom een beroep moet doen op argumenten, en dus op regels die ook
anderen aanspreken. En hij geloofde dat dit kan. Citaat: ‘’de
persoonlijke smaak – en daarmee de eigen soevereine individualiteit
– is verdedigbaar’’.
De vraag is of dit
niet een misvatting is.
Is het niet zo dat
volkscultuur zichzelf schept, er gewoon is? Men denkt er niet zo veel
bij na waarom het zo is, vraagt zich niet voortdurend af of anderen
het wel goed en mooi vinden.
Dat lijkt mij de
kracht van de volkscultuur. De elitecultuur vertrouwt zelden op zijn
eigen instincten, wil altijd eerst even te rade gaan bij wat anderen,
de recensenten, de critici, de vrienden, ervan vinden: van dat
varkentje van Koons of de tweede roman van Donna Tart.
Niet alleen lijken de gedragingen en oordelen van de plegers of
genieters van volkscultuur en elitecultuur dus anders te zijn. De
oorsprong van beide vormen van cultuur is ook verschillend.
Volkscultuur is basaal, gevoelsmatig, een uiting van directe ervaring
(inclusief de negatieve kanten zoals vooroordelen).
Elitecultuur kan zelf ook impulsief zijn, zoals de moderne
schilderkunst. Maar toch elitecultuur in zijn algemeenheid de
gerationaliseerde verklaring van de werkelijkheid die anderen voor je
construeren, en waar jij dan op mag ‘reageren’, in het museum zelf
of in een tegen-essay.
Tot die rationele,
moderne wereld behoort ook de krant, die – als moderne schrijvers
onder elkaar – wél Annie M.G.Schmidt haar bonte uitvaart gunde,
maar zich na Arena-André verbaasd afvraagt wat er met de wereld om
haar heen is gebeurd.
Mij is gevraagd het
ook over de relatie tussen volkscultuur en integratie te hebben.
Welnu, degenen die zich zo verbaasd of gestoord hebben aan André
Hazes hebben misschien wel als eerste een inburgeringscursus in de
volkscultuur nodig.
De redenen waarom de elitecultuur het zo moeilijk heeft - en de krant
ook - en de volkscultuur het pleit lijkt te hebben gewonnen zijn
talrijk en complex. Hier kunnen alleen de trefwoorden gegeven worden:
bestuurlijke technocratie en reglementering van het hele leven van
file heen, kantoor en weer file terug.
En het volk heeft
tv, heeft internet, heeft voetbal, en heeft de massa mee, wat
commercieel gesproken in deze turbokapitalistische tijden dus sowieso
het interessantst is.
Maar in wezen gaat
het niet om geld. Het zogenaamde ‘volk’ geeft in één jaar meer
uit in de Mediamarkt dan een viool en vijf jaar vioolles tezamen
kosten. Een kaartje voor Madonna is even duur als eentje voor het
Concertgebouw. Wat zeg ik: een kaartje voor The Phantom of the Opera
was zelfs twee keer zo duur.
Miljoenen mensen vinden een musical simpelweg veel leuker dan een
opera. In die zin is het beschavingsoffensief gewoon mislukt, met dank
aan de radicale kunstenaars en leraren van de jaren zeventig die kunst
zelf met een kleine k gingen schrijven en vonden dat ieders mening
even waardevol is. Maar dit ten overvloede.
Ik begrijp al die
bezorgdheid helemaal niet. En ook niet wat die critici van de
volkscultuur zelf dan voor leven leiden, of voor het ideale leven
houden.
Wat maakt het
eigenlijk uit of mensen dingen doen uit verveling, uit nostalgie of om
een nieuw houvast te vinden in rituele handelingen of oude gebruiken,
samen met anderen?
Dat de naoorlogse
volkscultuur in opmars is, is al sinds de eerste nostalgiegolf van de
hippies en rommelmarkten in de jaren zestig duidelijk. Modernisering,
anonimisering, individualisering, bureaucratisering, en noem al die
andere ringen maar op, ze hebben een groot verlangen opgewekt naar
premoderne gebruiken en samenlevingsvormen.
Maar, en dat is het
nieuwe sinds de jaren negentig, de volkscultuur wordt nu ook
gekenmerkt door allerlei postmoderne, nieuwerwetse cultuuruitingen.
Je kunt van de
Arena-uitvaart van André veel zeggen maar niet dat het premodern was.
Ja, misschien in de kern – een plattelandsbegrafenis waar iedereen
op afkomt - maar niet in de uitvoering: moderner kan het haast niet.
Zijn liederen waren premodern, natuurlijk: een lange eenzame schreeuw
om troost, erkenning, verlossing en samenzijn. Maar zijn entourage
maakte er wel een bijna commerciële, geraffineerde media-show van.
Net zoals de
mentaal misschien premoderne Frans Bauer in zijn reality-tv-serie De
Bauers ook een toonbeeld was van 21e eeuwse marketing en
vertier. Nog een ei kunnen koken, maar met een mobieltje aan elk oor.
Dat lijkt de grote
frustratie te zijn van de elitecultuur van tegenwoordig. Hoe
postmodern en anti-autoritair ze zich ook voordoet, in wezen blijft ze
aan allerlei beoordelingskaders gebonden.
Volkscultuur heeft
daarom een grote voorsprong, is veel vrijer, en is – hoe vreemd dat
ook moge klinken – in sommige opzichten dus progressiever dan de
elitecultuur die zichzelf al decennia lang gevangen houdt in de
dwangbuis van het gesubsidieerde ‘vernieuwingsstalinisme’, zoals
journalist Maarten Huygen de VPRO-programma’s eens noemde.
Als ik zeg dat het geen kwaad zou kunnen als de culturele elite werd
aangemeld voor een inburgeringscursus in de volkscultuur, wil ik
hiermee niet zeggen dat de scheidslijnen nog zo duidelijk zijn als in
de afgelopen anderhalve eeuw, toen het feestende gepeupel paling trok,
en de hoge burgerij in het Concertgebouw of Museum vertoefde – met
bijna religieuze plechtigheid op het gezicht.
Het volk heeft in
de twintigste eeuw de media veroverd, en Arena-André heeft de laatste
gelovigen in de elitecultuur met een schok het besef bijgebracht dat
de volkscultuur de elitecultuur heeft verdrongen.
Maar in feite is het niet alleen het bewijs dat de volkscultuur zich
geheel heeft geëmancipeerd en zeer zelfbewust doet waar men zin in
heeft. Het is ook het gevolg van het feit dat grote delen van de
culturele elite zelf van die zelfgebouwde Olympus zijn afgedaald naar
de begane grond van de televisie, het voetbalveld, de huur-video en de
Nicki French.
En als er nog zo
veel high culture wordt
gemaakt – wat het geval is want veel cultuur is van hoge klasse –
is het waarschijnlijk eerder omdat er zo veel zelfbewuste volkscultuur
is, en bijna iedereen ervan droomt zich cultureel te uiten of rijk en
beroemd te worden, dan dat de elitecultuur zelf nieuwe elitecultuur
voortbrengt.
De Europese
eenwording, de globalisering en de komst van de multiculturele
samenleving hebben de trend naar meer aandacht en waardering voor
volkscultuur de afgelopen 15 jaar aanzienlijk vergroot. Wat misschien
begon als aapjes-kijken op het Caribische Zomerfestival in Rotterdam,
kan veranderd zijn in een zeker gevoel van jaloezie en het besef dat
de eigen gewoonten en gebruiken ook helemaal zo gek nog niet zijn.
Dat is een van de
positieve gevolgen van de multiculturele samenleving. En ik ben
helemaal niet zo bang, zoals sommige pessimisten, dat volkscultuur
uiteindelijk zal uitmonden in een gesundenes Volksempfinden.
Dat zijn reacties
van de beklemde elite, die beklemd zit in de draaideur van de eigen
oude maar versleten culturele canon buiten, en de huiselijke warmte
binnen, die echter wel door ánderen - gewone mensen - is gecreëerd.
Dames en heren,
ik ben niet blij
met dat verschrompelde zelfbewustzijn van de hedendaagse culturele
elite. Kritische en creatieve geesten heb je altijd nodig. Zowel door
afkeer als door adoratie wordt je verblind, en belet goed om je heen
te kijken wat er werkelijk gebeurt in het gewone dagelijkse leven.
Sommige uitingen
van volkscultuur – Hell’s Angels, musicals, braderieën, tatoeages
é tutti quanti - mogen een protest zijn tegen de ‘robottisering’
van het leven, en sommige uitingen – spontaneous
shrines van bloemen bij elke beroemde dode of onbekend
verkeersslachtoffer – mogen soms een teken van naïveteit of
onvolwassenheid zijn, maar in alle gevallen wordt deze volkscultuur
toch gekenmerkt door zelfbewuste menselijkheid en spontaniteit.
Wat is dan, zo zal
men zich afvragen, ‘het belang van kennis van de immateriële
cultuur?’
Laat ik eerst dit
zeggen.
Ik zag een mooie
tentoonstelling in het Nederlands Fotomuseum hier in Rotterdam, Snapshots
geheten.
In de vuistdikke
catalogus werd de schrijver Italo Calvino geciteerd die in zijn
verhaal ‘’Adventures of a photographer’’ dit schreef:
‘’And
the life that you live in order to photograph it is already a memory
of itself at its beginning’’.
Als historicus zeg
ik: Ja, probeer zo veel mogelijk te bewaren en te bestuderen. Maar als
mens zeg ik: laten we wel waken voor de totale musealisering van het
dagelijkse leven. Dan belanden we namelijk nog meer in de situatie van
de zichzelf permanent gade slaande mens, die altijd bezig is met zijn
eigen imago en de vraag waarom ie precies doet wat ie doet, voelt wat
ie voelt.
Ook al is een
hogere status goed voor de subsidie, ik geloof, zoals Van der Zeijden
ook beschrijft, diegenen die zeggen dat te veel ernst en
verwetenschappelijking verstarring in de hand werkt.
Maar als de vraag moet worden beantwoorden wat het belang is van
kennis van de immateriële cultuur, dan is het antwoord eigenlijk heel
simpel:
Omdat in deze
materialistische wereld, deze technocratische en bureaucratische
wereld, de behoefte zo enorm is toegenomen aan het immateriële, het
gewone, en alledaagse. En dat is niet alleen een sociaal, cultureel,
of toeristisch-economisch feit, maar ook een politiek feit. Dat heeft
2002 wel laten zien.
Onze tijd wordt
gekenmerkt door een mix van moderne, postmoderne en premoderne
eigenschappen, door een mix van materiële eisen en in toenemende mate
immateriële eisen, door individualisme en behoefte aan collectieve
volksheid. Kortom, ik zou deze tijd willen kenmerken als een tijd van
reactionair-modernisme.
Wie deze dubbelzinnige, maar ook erg dynamische, mix niet begrijpt,
begrijpt weinig van de maatschappij waarin we nu leven. Als we onze
eigen volkscultuur – lokaal, regionaal of hoe ook gegroepeerd –
niet begrijpen, kunnen we ook nooit een gelijkwaardige partner zijn in
de multiculturele samenleving van heden. De diversiteit van de huidige
multiculturele samenleving, met zijn claims en regelrechte Culture
Wars over hoofddoekjes en wat niet al, vereist een veel grotere nadruk
op het belang van de bestudering en conservering van de cultuur van
alledag. Van de ander, en van onszelf.
Volkscultuur is
onbekommerd zelfbewustzijn, en dat is tolerant, menslievend en
spontaan. Niet hiërarchisch, laat staan fanatiek.
Het creëren van
een nieuwe Canon voor de hoge cultuur en voor alles wat we aan
geschiedenis moeten leren op school, vind ik een belangrijke zaak. Die
is noodzakelijk voor het Grote Verhaal dat een natie, ook een
multiculturele natie, bij elkaar moet houden. Ook op dit punt laat de
huidige culturele elite het afweten.
Maar dit kan heel
goed samengaan met de opwaardering van de volkscultuur. Juist omdat de
volkscultuur zo dominant is geworden, vormen de kennis en het
onderwijzen ervan de belangrijkste weg naar een tolerante samenleving
die zich zelf kent en waardeert. Daar ben ik van overtuigd.
Henri Beunders
Hoogleraar
geschiedenis van maatschappij, media en cultuur
Erasmus
Universiteit Rotterdam
|