|
Waarom die taboeïsering
van het Huis der Historie?
De roep om meer
aandacht voor de vaderlandse geschiedenis wordt gebrandmerkt als
ongewenste ‘mythevorming’. Of als uitnodiging voor ‘xenofobe en
reactionaire sentimenten’. Het verleden zou alleen als ‘culturele
confrontatie’ interessant zijn, of als content voor de
amusementsindustrie. Waarbij feiten, nut of ideologie geen maatstaf
vormen.
Het zijn
lichtzinnige vergissingen, aldus Henri Beunders.
De oproep van Jan
Marijnissen om te komen tot de oprichting van een nationaal Huis
der Historie lokt discussie uit. Dat is goed. In de
Volkskrant leest men vooral over het verzet ertegen. Eerst was het
hoogleraar Europese expansie en migratie P.C. Emmer (Forum, 15/1) die
het plan als ‘een illusie’ afdeed.
Nu bestrijdt
hoogleraar journalistieke cultuur F. van Vree de ‘achterhaalde
opvattingen’ over geschiedenisonderwijs en ook een historisch museum
(Reflex, 21/2). Dit idee gaat zijns inziens voorbij aan de culturele
veranderingen in het Westen van de laatste decennia. ‘In het ergste
geval zullen ze fungeren als dekmantel voor reactionaire en xenofobe
sentimenten’. Geschiedenis zou alleen nuttig kunnen zijn in een
eigentijds vak ‘burgerschapskunde’.
Volgens Van Vree is
‘het verleden’ hooguit een bron voor culturele ‘projecten’, zoals
films, soms met ‘de culturele waarde van de confrontatie’. Hij pleit
ervoor de geschiedenis te ‘bevrijden’ van enige verplichting, net als
de kunst, ‘waarvan de waarde tenslotte ook niet wordt afgemeten aan
feitenkennis, praktisch nut of ideologische betekenis’.
Het verleden als
koektrommel dus voor cultuurmakers die zelf niks hedendaags kunnen
verzinnen en naar believen in dat verleden kunnen graaien om hun
productie een andere setting te geven, en zo wat op te leuken
ten behoeve van de kassa.
De vraag die beide
hoogleraren zich niet stellen is de volgende. Wie zorgt er nog voor
tegenspraak als er zijn geen historici meer zijn die nog feiten
verzamelen, interpreteren en van een context voorzien? De trend van de
afgelopen decennia om eenzijdige emotiepolitiek te bedrijven met
behulp van voorbeelden uit ons ‘brandende verleden’ (slavernij,
kolonialisme etc.) kan gewoon doorgaan. En alle kunstenmakers kunnen
met historische figuren gebeurtenissen doen wat ze willen. Dit alles
valt moeilijk te verbieden. Maar tegenspraak blijft bitter nodig.
Het heden schrijft
het verleden, dat is waar. Het gevaar nu is dat het verleden geheel en
al wordt overgeleverd aan politieke lobbyisten en theatermakers. Zeg,
aan faction-schrijvers à la Thomas Ross, en cineasten zoals de
antipatriot Oliver Stone of de superpatriot Steven Spielberg.
Commercialisering en emotionalisering zullen geen enkele rem meer
kennen.
Deze reductie van
het verleden tot gratis content-leverancier voor de
amusementsindustrie of verkapte agitprop, is de zoveelste
vergissing van het postmodernistische cultuurrelativisme.
Het postmodernisme
schafte de toekomst af en bewierookte het eclectische gebruik van
stijlen uit het verleden, beide in verafgoding van het heilig
verklaarde hier en nu. Het cultuurrelativisme schafte ‘dé waarheid’ en
‘de grote verhalen’ af. Iedereen had zijn/haar eigen verhaal.
Anything goes.
Het zoeken naar
historische feiten en context werd bij het grof vuil gezet als
manipulerende ‘constructie’. Hiermee ontdeed deze pomo-stroming zich
van P.J. Geyl’s uitspraak dat geschiedenis ‘een discussie zonder eind’
is. Dit toch zeer tolerante, democratische uitgangspunt werd bijna
alom gedeeld, behalve door marxisten en bijbelse fundamentalisten.
Voortaan is discussie, zoals Van Vree impliceert, niet eens meer
nodig, zo onbelangrijk is die geschiedenis. Deze nonchalance zal het
All sail, no anchor-karakter van onze samenleving verder
vergroten.
Daarom maken Emmer
en Van Vree hier fatale vergissingen. Discussie is wél nodig. En een
Huis der Historie, als aanvulling op het Rijksmuseum (1885),
kan ook wel degelijk nut hebben.
Volgens Emmer
hebben de Duitsers het met hun Haus der Geschichte in Bonn over
de Oost- en Westduitse geschiedenis gemakkelijk. Want hier is het
kernidee dat BRD en DDR een speelbal waren van de VS en SU, tot de
bloedeloze eigenhandige ontmanteling van de Muur hier een einde aan
maakte. ‘Opgelucht kan de bezoeker het museum verlaten, want het is
met Duitsland toch allemaal nog goed gekomen. De moraal van het
tentoongestelde kan niemand ontgaan: alleen de democratie heeft West-
en Oost-Duitsland welvaart en vrede heeft gebracht en aan die
staatsvorm mag nooit meer worden gemorreld’.
Duitsers die zich
bij de uitgang opnieuw bewust zijn van de noodzaak van democratie. Wat
een verschrikkelijk effect van een museum!
Je zou kunnen
concluderen: als dit het effect van een museum kan zijn, dan ook in
Nederland direct de eerste heipaal de grond in. Nee, zegt Emmer: ‘De
geschiedenis van Nederland kan niet worden samengevat in een eenvoudig
uit te leggen, panklare nationale mythe’. Dit is curieus, zo niet
malicieus. Het suggereert dat ons verleden zó pluriform en zó
ingewikkeld is dat elke uitleg ervan onmogelijk is. Ja,
ondoorgrondelijk is. Dit suggereert een claim van uniciteit die het
spiegelbeeld is van de superieure uniciteit die Japanners en Duitsers
zichzelf vroeger toedichtten, iets wat de Amerikanen en Fransen nog
altijd doen.
Volgens Emmer bevat
ons verleden geen duidelijker boodschap dan – met dank aan
burgemeester Cohen - dat ‘we de boel een beetje bij elkaar moeten
houden’. Stel: een nationaal museum zou over onze ‘Republiek der
rivaliteiten’, zoals hoogleraar Piet de Rooy Koninkrijk Nederland
sinds 1813 heeft genoemd, zo’n boodschap uitdragen. Wat is hier dan
mis mee?
Tot slot die
waarschuwing dat er met dat museumplan een ‘panklare nationale mythe’
in de maak is, ja, een ‘dekmantel voor reactionaire en xenobe
sentimenten’. Hier worden spoken opgeroepen die helemaal niet getuigen
van de bepleite nonchalance voor geschiedenis en discussie, maar van
grote angst voor een opgelegde staatsdoctrine. Deze waarschuwing lijkt
de bedoeling te hebben élke discussie in de kiem te smoren. Dat is
geen postmoderne ‘bevrijding’, dat is ondemocratische verkettering.
Wat te doen? Onze
moderne mediacultuur vereist naast de bestaande historici een nieuw
soort historicus. Die kritische zin paart aan een creatieve geest. Om
beelden van het verleden op te roepen die zowel historisch verantwoord
zijn als uitermate aantrekkelijk om te lezen, horen of zien.
In de eerste plaats
in het onderwijs. En in zo’n Huis der Historie. Dat is geen
gevaar, maar juist een fantastische uitdaging aan de meest onderlegde,
kritische én kunstzinnige geesten om aan het werk te gaan. Om een
nieuwe ‘eendracht van het land’ te creëren? Daar zou niks mis mee
zijn, al blijft tegenspraak altijd nodig. Maar om op zijn minst een
historisch besef te laten herleven over hoe wij zo geworden zijn.
Henri Beunders is
hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de
Erasmus Universiteit te Rotterdam |