Media Matters

 

home | e-mail | English | Zoeken

In het nieuws
Publicaties         
 Boeken
 Artikelen
 Recensies
Persoonlijk           
Interactief
Contact
In het nieuws - Law and order op de barricaden

Henri Beunders, founding father van de ‘emocratie’ Law and order op de barricaden

Gesprek met De Humanist voor meinummer 2002

We leven in een manisch-depressieve heisa-maatschappij, zegt Henri Beunders. Overal regeert de ‘decompressie van het gevoel’ en overal steekt de nostalgie op. Het resultaat is Pim Fortuyn, die alles belichaamt wat de historicus beschrijft. ‘Het vernis van Norbert Elias wordt soms wel erg dun.’

Arjan Post

In het woonvertrek van Henri Beunders (1953) is het zoals je van een mediaprofessor, zoals hij tot zijn spijt vaak wordt genoemd, zou verwachten. In de hoek wankelt een stapel weekbladen, op de grond ligt De Telegraaf, verderop een pluk NRC en tegenover de driezitsbank glimt een groot televisietoestel. Nu zien veel bovenwoningen in Amsterdam Zuid er zo uit; maar in plaats van meters boeken (achterkamer) en ware kunst (elders) heeft Beunders zich behaaglijk omringd met een exotisch wandkleed, koloniale maskers, een manshoge bamboe en vensterbanksnuisterijen, waaronder een Jezus-beeld. Dit is de binnenwereld van iemand met, zoals hij het later zou zeggen, “strijdende emoties”: zeer rationeel en zeer gevoelig terzelfdertijd.

Dat antagonisme is ook min of meer het hoofdthema in zijn werk. Zijn proefschrift uit 1984 ging over oorlog en vrede. Tot 1990 was hij journalist voor NRC Handelsblad; hij was erbij toen de Muur viel. In die Duitse periode verdiepte zich zijn fascinatie voor de combinatie van het “allerlaagste” en “allerhoogste” van wat mensen vermogen: georganiseerd geweld en Kultur.

Sinds 1990 is hij hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit, een zo brede leerstoel dat journalisten hem wel eens ‘professor Beunhaas’ noemen – over alles een mening. ‘Ik ben geen socioloog of psycholoog, maar een historicus die zich sinds een jaar of tien onder andere bezighoudt met de relatie tussen maatschappij, media en cultuur,’ luidt de apologie in zijn essay over het Big Brother-fenomeen. Dat ‘onder andere’ is niets te veel gezegd; in de geestdriftige wereldaanschouwing volgens de methode-Beunders bestaat tussen wereldbrand en mediaconsumptie, de grote en de kleine geschiedenis een duidelijke, maar nog niet opgemerkte samenhang. “Ach, Huizinga was ook een impressionistische gevoelshistoricus,” zegt hij.

Op de paar vuisten aan boeken die hij schreef, kwam onlangs een nieuw werk te liggen: Publieke tranen, een ‘kroniek’ van de ‘emotiecultuur’ van de jaren negentig.

Centraal in die studie staat de notie van de toegenomen zichtbaarheid van publieke emoties. De tranen dus van Máxima in een suikerzoet decor, de stille tochten tegen geweld, de lief-en-leed-televisie, het sentiment van slachtoffers, de Gay Parades. Beunders schrijft: ‘De zichtbare veranderingen zijn zo groot dat we kunnen zeggen dat er een emotionele, zelfs zenuwachtige maar ook nostalgische samenleving is ontstaan.’

Maar zijn dat nu diepere, vrijere emoties – of is alleen de zichtbaarheid ervan toegenomen? Beunders zegt: “Ik heb het niet zozeer over persoonlijke emoties, want die zijn moeilijk te achterhalen. Ik heb me gericht op publieke emoties, positieve en in toenemende mate ook negatieve. De media staan wel eens aan het begin van een massahysterie, maar ik zie ze toch eerder als verstérkers van de al toegenomen emotionalisering.”

Hij durft “met zekerheid” te zeggen dat de 2,2 Nederlanders die het bij het koninklijk huwelijk niet droog hielden – één op de drie kijkers – een “enorme toename” is vergeleken met de tranen die zijn vergoten bij het huwelijk van Beatrix en Claus. Het staat niet in zijn boek, maar hij heeft alle beelden uit 1966 die in Hilversum aanwezig zijn bekeken: van het volk op de Dam, in de Westerkerk, langs de straten. “De hele teneur van die tv-registratie, in zwart-wit nog, is afstandelijk. De mensen toonden geen enkele traanachtige emotie.” Akkoord, zegt hij, het valt niet uit te sluiten dat er thuis werd gehuild, maar alleen al in de vele krantenverslagen komt het woord ‘tranen’ niet voor. Hetzelfde “emotionele schild” vond hij onder meer rond de treinramp in Harmelen, in 1962, en het vliegtuigongeluk in Enschede, in 1947. “Kinderen mochten niet naar de begrafenis, het was een en al stoer doen.”

Die flinkheid verdween in het midden van de jaren zestig. Toen de gevaren van de Koude Oorlog na de Cuba-crisis waren geweken, de zuilen langzaam ineen zegen en massaal geld werd ingezameld in de 24-uursuitzending voor de Open het Dorp-actie, begon een periode van “nationale euforie en hysterie”. Mies Bouwman had in 1962 nog “een droge snik”, maar de eerste echte tranen vloeiden bij de Beatles op Schiphol, twee jaar later. Daar werd de ‘emocratie’ gegrondvest, ‘de decompressie van het gevoel’. En daar waren ook “tranen van lust en seksuele energie” bij.

Hij houdt een zekere afstand tot wat Susan Sontag ooit het simplistische decennium-denken noemde. Beunders heeft het niet over dé seksuele revolutie van de jaren zestig, hij zegt: “Emotie-uitingen waren er natuurlijk altijd al, het gaat mij om de stroomversnelling erin.” En die situeert hij in 1989, toen niet alleen onder zijn eigen ogen de Muur viel en alle vrees voor dé communistische vijand verdween, maar ook de ‘muur om Hilversum’ wegviel. Het was namelijk ook het introductiejaar van de commerciële omroepen, waarmee vooral het korset rond negatieve emoties verdween.

De jaren negentig zijn volgens hem – toch een beetje decennium-denken – de jaren van onveiligheidsgevoelens, van collectieve woede en vooral ook van slachtofferschap. Overal stonden groepen op met een geblesseerd verleden. “Dat is als een sneeuwbal door de maatschappij gegaan. Nabestaanden en overlevenden van de oorlog, van Indonesië, van slavernij: iedereen wilde zijn frustratie kwijt en eiste excuus, zelfs voor het leed van voorouders. Die bizarre roep om erkenning en vergoeding is een drijfveer van de emotiecultuur.” De commerciële omroepen zijn daar op ingesprongen. “De kerk, de partij, zelfs chatgroepen op internet: al die plekken waar je naartoe kon om in het reine te komen met iets, of om je hoop ergens op te vestigen, gingen ter ziele. Alleen de televisie bleef nog over.”

Door die dominantie van het medium is behalve openheid ook een nieuwe dwang ontstaan. “Er is een zekere druk gelegd op het uiten van emoties: eigenlijk ben je maar een sukkel als je je gevoelens niet uit.” De professor heeft zich zelfs over vrouwenlectuur gebogen. “Lees de Viva en al die bladen maar: het gaat allemaal om perfecte seks, perfecte huizen, banen, lichamen. Dat is de amerikanisering van de samenleving, waarbij iedereen zelf verantwoordelijk is geraakt voor zijn eigen succes en zielenheil.”

Die emotionele samenleving is niet soft of feminien, maar keihard vindt hij. Even sombert hij, met de monotone, zware stem: “En een samenleving kun je het niet eens meer noemen. Eerder een maatschappij waarin de mens wordt teruggeworpen op zichzelf.” Henri Beunders: de notoire cultuurpessimist. Toch? Maar nog net niet als door een wesp gestoken, veert hij op en in een hoger register riposteert hij: “Dat ben ik níet. De toegenomen emotionalisering zie ik juist als een weergaloos aanpassingsvermogen aan de moderne tijd. Ik zie dat als heel nuttig, daar ben ik positief over.”

Nee, wat hem persoonlijk dwarszit, dat is de politiek-correcte intolerantie. “Voorbeeld. Beatrix rookt, Willem-Alexander rookt en Máxima rookt – pakje per dag ofzo. In die hele show daar in de Beurs van Berlage op 2-2-2 schijnen pauzes ingelast te zijn op zo’n manier dat wij hen niet rokend konden zien.” Met stemverheffing: “Dat duidt dus op een hardheid, op een gebrek aan mededogen. Het is gewoon oplichterij!” Hij verslikt zich bijna in zijn Barclay.

Maar Beunders voegt zich niet bij de horden die overal slechts dingen zien doorschieten, verworden en uiteenvallen; hij ziet juist een sterke nostalgie. “Dat zijn wanhopige pogingen om nieuwe gemeenschappen te creëren. Ondanks alle op het individu gerichte hypes in de media, zie je in toenemende mate een waardering van gezin en relatie terugkomen. Dat mechanisme zag je zelfs bij Big Brother: hoezeer al die popie jopie-figuren ook geilden op roem, binnen de kortste keren schaarden ze zich toch achter de groep. En dat die overtuiging er weer is, dat beschouw ik als winst.”

Daarin weerklinkt iets van Arthur Koestlers aforisme ‘Uit naastenliefde van de mens ontstaat het egoïsme van de massa’. Niettemin signaleert Beunders zowel ‘een sterkere behoefte aan wij-gevoelens’ als een toenemende ‘verkilling’. Duidt dat dan niet op een ónvermogen tot emotionele expressie? “In zekere zin wel en dat wijd ik aan de media,” zegt hij. Hier is hij even de mediaprofessor die hij wél wil zijn: niet iemand die, zoals een rancuneuze oud-medewerker in de Volkskrant over hem schreef, ‘zich een ongeluk zapt langs kranten, televisie en internet’, maar iemand die hoogdravende communicatieflauwekul concretiseert tot de leefwereld van mensen.

“Zeker, de media gelden als de brug naar de ander; ze hebben ons lid gemaakt van een nationale gemeenschap. Maar ze leggen óók een muur om ons heen en versterken de vereenzaming. Opeens denk je: verrek, ik zit hier in m’n eentje tv te kijken! Dan wil je gewoon weer al je zintuigen gebruiken in een fysieke gemeenschap.” De behoefte aan massafestijnen, de festivalisering van het openbare leven, is er volgens hem een rechtstreeks gevolg van.

Hoezeer daarmee ook een nostalgisch ‘wij’ herrijst, en er zelfs tekenen zijn van “neo-moralisme”, we blijven in een “zenuwachtige heisa-maatschappij” leven, zegt Beunders. “De pieken en dalen van de emotionele uitbarstingen volgen steeds sneller op elkaar en slaan steeds feller uit.” Het ‘burgerlijke en beheerste’ is voorbij, schrijft hij.

Toch lijkt steeds meer ‘emotie’ precies op het juiste, door beleveniseconomische clichés ingegeven, moment te komen. Huilen bij Titanic, aanstekers bij Marco Borsato, woede na straatgeweld: is het niet eerder zo dat emoties steeds verfijnder worden gereguleerd? “Dat is het interessante,” zegt Beunders, “mensen plannen dus hun emoties en voor een ander deel zijn ze spontaan.” Dat plannen is niets anders dan de uitlaatklep van een harde, berekenende maatschappij, zegt hij. In die zin wil hij een eind meegaan met de these van de cultuursocioloog Cas Wouters, die ervan uitgaat dat de informalisering slechts ogenschijnlijk haaks staat op het door Norbert Elias beschreven proces van toenemende zelfregulering.

“Het is inderdaad waar dat heel veel emotie-uiting weloverwogen is. Huilen op het werk is een absoluut taboe, en op tv zie je dat het na een klop op de schouder over moet zijn.” Maar toch wordt de grens tussen de geplande en automatische emoties nu wel erg vaag, meent Beunders. “Het probleem is dat die twee soorten soms onontwarbaar zijn geworden.” Hoe positief hij ook is over de ‘emancipatie van emoties’, zoals hij het met Cas Wouters noemt, de gevaren van ongeremde emotie-uitingen zijn voor hem te groot om afstand te houden tot donkere denkers als Hans Magnus Enzensberger en Hans Peter Duerr, wier levenstaak toch lijkt te bestaan uit het wijzen op de naderende burgeroorlog en het deficit van het geweten. “Natuurlijk, de meeste mensen hebben een grote zelfbeheersing; maar het vernis van Elias wordt soms wel erg dun.” Het diepste punt dat de emotiecultuur kan naderen past in één woord. “Bosnië!” zegt Beunders met kracht.

Begrijp hem goed, hij wil geen onheilsprofeet zijn. Maar ondertussen zit hij toch met de man in de Philips-toren met het machinegeweer: boos om een breedbeeldtelevisie. Of de deelnemer aan de stille tocht na de dood van Meindert Tjoelker: sloeg er de volgende dag op los omdat een auto in de weg stond. En het beste voorbeeld, daar is-ie dan: Pim Fortuyn.

Beunders mag zich erop beroemen de geboorte van de deftig-recalcitrante stem des volks te hebben voorspeld. “De samenleving die ik beschrijf heeft Pim Fortuyn gecreëerd. Hij belichaamt alles wat ik beschrijf: het manisch-depressieve, het summum van het exhibitionisme. Ik schrijf ergens: waarheen moet het met de angst en woede in de jaren negentig? Nou, dat antwoord kan er nu achter: Pim Fortuyn!”

Beunders heeft geen luchtig woord over voor de politicus zonder partij – hoewel hij diens aanklacht tegen de bureaucratisering bewondert – en dat komt door een andere voorspelling die hij ooit deed: de terugkeer van de doodstraf. “Het gevaarlijke van de emotiecultuur is dat woede, angst, verdriet en rouw een heel akelige ondertoon kunnen krijgen: de roep om een sterke man, strenge straffen, harde maatregelen, vergelding. Allemaal om het verloren paradijs van gisteren terug te krijgen. Welnu: Pim Fortuyn ís voor de doodstraf.”

De case is leerzaam omdat daarmee licht wordt geworpen op krachtige, maar onderling tegenstrijdige sentimenten in de samenleving. Fortuyn is de personificatie van het reactionair modernisme: vóóruit naar de jaren vijftig en law and order op de barricaden. “Dat idee van één volk, één taal, normen en waarden, en tegelijkertijd leve het internet en het particulier initiatief, dat is Amerika. Bij ons gaat het ook die kant op.”

Ondanks alle onttovering zegt hij zelfs een terugkeer naar religieuze waarden te bespeuren. “Sorry voor De Humanist, maar sinds het verzet tegen de islam stijgt de waardering voor de christelijke beschaving.” Zelf heeft hij slechts “een vaag religieus gevoel”, als dat kan. Maar “dat verketteren van het geloof”, dat hoeft voor hem niet. “Ik ben geen atheïst – dat zijn vaak de saaiste mensen. En de liberale gedachte van het gelijk van het rationele individu, daar zie ik niets in. Ik denk dat we toch iets nodig hebben.” Religie bedoelt hij daarmee, al aanvaardt hij ook de suggestie van een sterke staat.

Eigenlijk is het hem allemaal te doen om vergeving. Het belangrijkste hoofdstuk in Publieke tranen gaat dáárover, vindt hij. “Zonder vergeving van het verleden kun je ook geen toekomst hebben.” En vooruit: “Daar hoef je niet eens katholiek of protestant voor te zijn; Hannah Ahrendt en Paul Ricoeur, de grootste humanistische denkers die er zijn, hebben daar al op gewezen.” Nu staat echter zowel de vergeving als een toekomstvisie op de tocht – bij de politiek, ja. “Het is zo jammer dat Paars niet heeft gezien dat we een belofte voor de toekomst nodig hebben, waar we als samenleving aan kunnen werken. Voor mijn part een Schiphol in Zee, een nationaal project, anything. We zijn een volk van Deltawerken, we voeren de wereld over, maar wat is daarvan over? Geld en efficiency! Zo bevorder je het gevoel van malaise.”

Aan het eind van het gesprek zegt hij beroepsmatig blij te zijn met grote uitbarstingen van emoties. En dan: “Misschien ben ik dat ook persoonlijk wel, omdat ik een zeer emotioneel mens ben en zo iets wezenlijks van de mens herken.” Hij laat wel eens een traan bij films waarin echtparen gescheiden zijn, net als hijzelf. “Maar,” klinkt het terstond, “ik ben ook een zeer rationeel mens, die zulke botsingen wil beschouwen. En met deze karakterstructuur voel ik vrij snel wat er kan gebeuren in de maatschappij. Daar ben ik wel trots op.”

Publieke tranen. De drijfveren van de emotiecultuur, Contact, € 23,95

 

Op deze pagina vindt u het interview met humanist, mei 2002

- Artikel, Irak: Nederlandse media gijzelen zichzelf, december 2004
- Lezing, De beklemmende elite en Andre hazes, 2 oktober 2004
- Artikel de Gids, Nederlanders zijn anti-koloniaal of het verlangen naar getto's, mei/juni 2004
- Ingezonden brief, Columnisten tonen liever hun gelijk dan hun hart, de Volkskrant, 26 maart 2004
- Artikel, het verleden is een koektrommel? de Volkskrant, 25 februari 2004
- Ingezonden brief, Waarom die taboeïsering van het Huis der Historie? de Volkskrant, 25 februari 2003
- Artikel, Fragment, Trouw 3 maart 2003
- Opinie, Beheerst weldenkend, NRC Handelsblad 1 februari 2003
- Opinie, Met Cohen is het nu Amsterdam vs Rotterdam, Volkskrant, 21 januari 2003
- Opinie, De verstandige kiezer bestaat niet, 17 januari 2003
- Opinie, The medium is not the message, Volkskrant 14 januari 2003
- Interview, Het dedain van de elite stoort mij enorm, Groene Amsterdammer, 21 december 2002
- Opinie, Florida-toestanden dreigen bij verkiezingen, 25 November 2002
- Artikel, Elite: stop het schelden, 19 september 2002
- Artikel, De indruk van een afdruk, 11 augustus 2002
- Artikel, De koploze revolutie in Fort Knox, 15 mei 2002, 23.30 uur
- Opinie AD, De 151e zetel voor Pim, 7 mei 2002
- Een ooggetuigeverslag 6 mei 2002
- Interview P magazine, De onstuitbare opmars van de emotiecultuur - mei 2002
- Artikel, the medium is not the message, 5 mei 2002
- Interview Humanist, mei 2002
- Interview Erasmus Magazine - 25 april 2002
- Artikel, Kern Fortuyn's succes: reactionair modernisme - NRC, 23 maart 2002
- Opinie, Journalisten moeten pen scherpen - Volkskrant, 13 maart 2002
- Interview Flair magazine -  maart 2002
- Interview HP de Tijd - 15 februari 2002
- Opinie, Fortuyn en de Emo-revolutie - Trouw, 13 februari 2002
- De Maxima Show - Elsevier 9 februari 2002
- Interview Volkskrant - 2 februari 2002

Alle documenten zijn beschikbaar in PDF formaat. U heeft hier Acrobat Reader voor nodig. Wanneer u dit nog niet heeft geïnstalleerd kunt u het hier gratis downloaden.

Adobe PDF

 


webmaster

Best viewed with Internet Explorer 5.0 or higher