|
We leven in een
manisch-depressieve heisa-maatschappij, zegt Henri Beunders. Overal
regeert de ‘decompressie van het gevoel’ en overal steekt de nostalgie op.
Het resultaat is Pim Fortuyn, die alles belichaamt wat de historicus
beschrijft. ‘Het vernis van Norbert Elias wordt soms wel erg dun.’
Arjan Post
In het woonvertrek van Henri Beunders (1953)
is het zoals je van een mediaprofessor, zoals hij tot zijn spijt vaak
wordt genoemd, zou verwachten. In de hoek wankelt een stapel weekbladen,
op de grond ligt De Telegraaf, verderop een pluk NRC en tegenover de
driezitsbank glimt een groot televisietoestel. Nu zien veel bovenwoningen
in Amsterdam Zuid er zo uit; maar in plaats van meters boeken
(achterkamer) en ware kunst (elders) heeft Beunders zich behaaglijk
omringd met een exotisch wandkleed, koloniale maskers, een manshoge bamboe
en vensterbanksnuisterijen, waaronder een Jezus-beeld. Dit is de
binnenwereld van iemand met, zoals hij het later zou zeggen, “strijdende
emoties”: zeer rationeel en zeer gevoelig terzelfdertijd.
Dat antagonisme is ook min of meer het
hoofdthema in zijn werk. Zijn proefschrift uit 1984 ging over oorlog en
vrede. Tot 1990 was hij journalist voor NRC Handelsblad; hij was erbij
toen de Muur viel. In die Duitse periode verdiepte zich zijn fascinatie
voor de combinatie van het “allerlaagste” en “allerhoogste” van wat mensen
vermogen: georganiseerd geweld en Kultur.
Sinds 1990 is hij hoogleraar geschiedenis
van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit, een zo
brede leerstoel dat journalisten hem wel eens ‘professor Beunhaas’ noemen
– over alles een mening. ‘Ik ben geen socioloog of psycholoog, maar een
historicus die zich sinds een jaar of tien onder andere bezighoudt met de
relatie tussen maatschappij, media en cultuur,’ luidt de apologie in zijn
essay over het Big Brother-fenomeen. Dat ‘onder andere’ is niets te veel
gezegd; in de geestdriftige wereldaanschouwing volgens de methode-Beunders
bestaat tussen wereldbrand en mediaconsumptie, de grote en de kleine
geschiedenis een duidelijke, maar nog niet opgemerkte samenhang. “Ach,
Huizinga was ook een impressionistische gevoelshistoricus,” zegt hij.
Op de paar vuisten aan boeken die hij
schreef, kwam onlangs een nieuw werk te liggen: Publieke tranen,
een ‘kroniek’ van de ‘emotiecultuur’ van de jaren negentig.
Centraal in die studie staat de notie van de
toegenomen zichtbaarheid van publieke emoties. De tranen dus van Máxima in
een suikerzoet decor, de stille tochten tegen geweld, de
lief-en-leed-televisie, het sentiment van slachtoffers, de Gay Parades.
Beunders schrijft: ‘De zichtbare veranderingen zijn zo groot dat we kunnen
zeggen dat er een emotionele, zelfs zenuwachtige maar ook nostalgische
samenleving is ontstaan.’
Maar zijn dat nu diepere, vrijere emoties –
of is alleen de zichtbaarheid ervan toegenomen? Beunders zegt: “Ik heb het
niet zozeer over persoonlijke emoties, want die zijn moeilijk te
achterhalen. Ik heb me gericht op publieke emoties, positieve en in
toenemende mate ook negatieve. De media staan wel eens aan het begin van
een massahysterie, maar ik zie ze toch eerder als verstérkers van de al
toegenomen emotionalisering.”
Hij durft “met zekerheid” te zeggen dat de
2,2 Nederlanders die het bij het koninklijk huwelijk niet droog hielden –
één op de drie kijkers – een “enorme toename” is vergeleken met de tranen
die zijn vergoten bij het huwelijk van Beatrix en Claus. Het staat niet in
zijn boek, maar hij heeft alle beelden uit 1966 die in Hilversum aanwezig
zijn bekeken: van het volk op de Dam, in de Westerkerk, langs de straten.
“De hele teneur van die tv-registratie, in zwart-wit nog, is afstandelijk.
De mensen toonden geen enkele traanachtige emotie.” Akkoord, zegt hij, het
valt niet uit te sluiten dat er thuis werd gehuild, maar alleen al in de
vele krantenverslagen komt het woord ‘tranen’ niet voor. Hetzelfde
“emotionele schild” vond hij onder meer rond de treinramp in Harmelen, in
1962, en het vliegtuigongeluk in Enschede, in 1947. “Kinderen mochten niet
naar de begrafenis, het was een en al stoer doen.”
Die flinkheid verdween in het midden van de
jaren zestig. Toen de gevaren van de Koude Oorlog na de Cuba-crisis waren
geweken, de zuilen langzaam ineen zegen en massaal geld werd ingezameld in
de 24-uursuitzending voor de Open het Dorp-actie, begon een periode van
“nationale euforie en hysterie”. Mies Bouwman had in 1962 nog “een droge
snik”, maar de eerste echte tranen vloeiden bij de Beatles op Schiphol,
twee jaar later. Daar werd de ‘emocratie’ gegrondvest, ‘de decompressie
van het gevoel’. En daar waren ook “tranen van lust en seksuele energie”
bij.
Hij houdt een zekere afstand tot wat Susan
Sontag ooit het simplistische decennium-denken noemde. Beunders heeft het
niet over dé seksuele revolutie van de jaren zestig, hij zegt:
“Emotie-uitingen waren er natuurlijk altijd al, het gaat mij om de
stroomversnelling erin.” En die situeert hij in 1989, toen niet alleen
onder zijn eigen ogen de Muur viel en alle vrees voor dé communistische
vijand verdween, maar ook de ‘muur om Hilversum’ wegviel. Het was namelijk
ook het introductiejaar van de commerciële omroepen, waarmee vooral het
korset rond negatieve emoties verdween.
De jaren negentig zijn volgens hem – toch
een beetje decennium-denken – de jaren van onveiligheidsgevoelens, van
collectieve woede en vooral ook van slachtofferschap. Overal stonden
groepen op met een geblesseerd verleden. “Dat is als een sneeuwbal door de
maatschappij gegaan. Nabestaanden en overlevenden van de oorlog, van
Indonesië, van slavernij: iedereen wilde zijn frustratie kwijt en eiste
excuus, zelfs voor het leed van voorouders. Die bizarre roep om erkenning
en vergoeding is een drijfveer van de emotiecultuur.” De commerciële
omroepen zijn daar op ingesprongen. “De kerk, de partij, zelfs chatgroepen
op internet: al die plekken waar je naartoe kon om in het reine te komen
met iets, of om je hoop ergens op te vestigen, gingen ter ziele. Alleen de
televisie bleef nog over.”
Door die dominantie van het medium is
behalve openheid ook een nieuwe dwang ontstaan. “Er is een zekere druk
gelegd op het uiten van emoties: eigenlijk ben je maar een sukkel als je
je gevoelens niet uit.” De professor heeft zich zelfs over vrouwenlectuur
gebogen. “Lees de Viva en al die bladen maar: het gaat allemaal om
perfecte seks, perfecte huizen, banen, lichamen. Dat is de amerikanisering
van de samenleving, waarbij iedereen zelf verantwoordelijk is geraakt voor
zijn eigen succes en zielenheil.”
Die emotionele samenleving is niet soft of
feminien, maar keihard vindt hij. Even sombert hij, met de monotone, zware
stem: “En een samenleving kun je het niet eens meer noemen. Eerder een
maatschappij waarin de mens wordt teruggeworpen op zichzelf.” Henri
Beunders: de notoire cultuurpessimist. Toch? Maar nog net niet als door
een wesp gestoken, veert hij op en in een hoger register riposteert hij:
“Dat ben ik níet. De toegenomen emotionalisering zie ik juist als een
weergaloos aanpassingsvermogen aan de moderne tijd. Ik zie dat als heel
nuttig, daar ben ik positief over.”
Nee, wat hem persoonlijk dwarszit, dat is de
politiek-correcte intolerantie. “Voorbeeld. Beatrix rookt,
Willem-Alexander rookt en Máxima rookt – pakje per dag ofzo. In die hele
show daar in de Beurs van Berlage op 2-2-2 schijnen pauzes ingelast te
zijn op zo’n manier dat wij hen niet rokend konden zien.” Met
stemverheffing: “Dat duidt dus op een hardheid, op een gebrek aan
mededogen. Het is gewoon oplichterij!” Hij verslikt zich bijna in zijn
Barclay.
Maar Beunders voegt
zich niet bij de horden die overal slechts dingen zien doorschieten,
verworden en uiteenvallen; hij ziet juist een sterke nostalgie. “Dat zijn
wanhopige pogingen om nieuwe gemeenschappen te creëren. Ondanks alle op
het individu gerichte hypes in de media, zie je in toenemende mate een
waardering van gezin en relatie terugkomen. Dat mechanisme zag je zelfs
bij Big Brother: hoezeer al die popie jopie-figuren ook geilden op roem,
binnen de kortste keren schaarden ze zich toch achter de groep. En dat die
overtuiging er weer is, dat beschouw ik als winst.”
Daarin weerklinkt
iets van Arthur Koestlers aforisme ‘Uit naastenliefde van de mens ontstaat
het egoïsme van de massa’. Niettemin signaleert Beunders zowel ‘een
sterkere behoefte aan wij-gevoelens’ als een toenemende ‘verkilling’.
Duidt dat dan niet op een ónvermogen tot emotionele expressie? “In zekere
zin wel en dat wijd ik aan de media,” zegt hij. Hier is hij even de
mediaprofessor die hij wél wil zijn: niet iemand die, zoals een rancuneuze
oud-medewerker in de Volkskrant over hem schreef, ‘zich een ongeluk zapt
langs kranten, televisie en internet’, maar iemand die hoogdravende
communicatieflauwekul concretiseert tot de leefwereld van mensen.
“Zeker, de media
gelden als de brug naar de ander; ze hebben ons lid gemaakt van een
nationale gemeenschap. Maar ze leggen óók een muur om ons heen en
versterken de vereenzaming. Opeens denk je: verrek, ik zit hier in m’n
eentje tv te kijken! Dan wil je gewoon weer al je zintuigen gebruiken in
een fysieke gemeenschap.” De behoefte aan massafestijnen, de
festivalisering van het openbare leven, is er volgens hem een rechtstreeks
gevolg van.
Hoezeer daarmee ook een nostalgisch ‘wij’
herrijst, en er zelfs tekenen zijn van “neo-moralisme”, we blijven in een
“zenuwachtige heisa-maatschappij” leven, zegt Beunders. “De pieken en
dalen van de emotionele uitbarstingen volgen steeds sneller op elkaar en
slaan steeds feller uit.” Het ‘burgerlijke en beheerste’ is voorbij,
schrijft hij.
Toch lijkt steeds meer ‘emotie’ precies op
het juiste, door beleveniseconomische clichés ingegeven, moment te komen.
Huilen bij Titanic, aanstekers bij Marco Borsato, woede na
straatgeweld: is het niet eerder zo dat emoties steeds verfijnder worden
gereguleerd? “Dat is het interessante,” zegt Beunders, “mensen plannen dus
hun emoties en voor een ander deel zijn ze spontaan.” Dat plannen is niets
anders dan de uitlaatklep van een harde, berekenende maatschappij, zegt
hij. In die zin wil hij een eind meegaan met de these van de
cultuursocioloog Cas Wouters, die ervan uitgaat dat de informalisering
slechts ogenschijnlijk haaks staat op het door Norbert Elias beschreven
proces van toenemende zelfregulering.
“Het is inderdaad waar dat heel veel
emotie-uiting weloverwogen is. Huilen op het werk is een absoluut taboe,
en op tv zie je dat het na een klop op de schouder over moet zijn.” Maar
toch wordt de grens tussen de geplande en automatische emoties nu wel erg
vaag, meent Beunders. “Het probleem is dat die twee soorten soms
onontwarbaar zijn geworden.” Hoe positief hij ook is over de ‘emancipatie
van emoties’, zoals hij het met Cas Wouters noemt, de gevaren van
ongeremde emotie-uitingen zijn voor hem te groot om afstand te houden tot
donkere denkers als Hans Magnus Enzensberger en Hans Peter Duerr, wier
levenstaak toch lijkt te bestaan uit het wijzen op de naderende
burgeroorlog en het deficit van het geweten. “Natuurlijk, de meeste mensen
hebben een grote zelfbeheersing; maar het vernis van Elias wordt soms wel
erg dun.” Het diepste punt dat de emotiecultuur kan naderen past in één
woord. “Bosnië!” zegt Beunders met kracht.
Begrijp hem goed, hij wil geen
onheilsprofeet zijn. Maar ondertussen zit hij toch met de man in de
Philips-toren met het machinegeweer: boos om een breedbeeldtelevisie. Of
de deelnemer aan de stille tocht na de dood van Meindert Tjoelker: sloeg
er de volgende dag op los omdat een auto in de weg stond. En het beste
voorbeeld, daar is-ie dan: Pim Fortuyn.
Beunders mag zich
erop beroemen de geboorte van de deftig-recalcitrante stem des volks te
hebben voorspeld. “De samenleving die ik beschrijf heeft Pim Fortuyn
gecreëerd. Hij belichaamt alles wat ik beschrijf: het manisch-depressieve,
het summum van het exhibitionisme. Ik schrijf ergens: waarheen moet het
met de angst en woede in de jaren negentig? Nou, dat antwoord kan er nu
achter: Pim Fortuyn!”
Beunders heeft geen
luchtig woord over voor de politicus zonder partij – hoewel hij diens
aanklacht tegen de bureaucratisering bewondert – en dat komt door een
andere voorspelling die hij ooit deed: de terugkeer van de doodstraf. “Het
gevaarlijke van de emotiecultuur is dat woede, angst, verdriet en rouw een
heel akelige ondertoon kunnen krijgen: de roep om een sterke man, strenge
straffen, harde maatregelen, vergelding. Allemaal om het verloren paradijs
van gisteren terug te krijgen. Welnu: Pim Fortuyn ís voor de doodstraf.”
De case is leerzaam omdat daarmee
licht wordt geworpen op krachtige, maar onderling tegenstrijdige
sentimenten in de samenleving. Fortuyn is de personificatie van het
reactionair modernisme: vóóruit naar de jaren vijftig en law and order
op de barricaden. “Dat idee van één volk, één taal, normen en waarden, en
tegelijkertijd leve het internet en het particulier initiatief, dat is
Amerika. Bij ons gaat het ook die kant op.”
Ondanks alle
onttovering zegt hij zelfs een terugkeer naar religieuze waarden te
bespeuren. “Sorry voor De Humanist, maar sinds het verzet tegen de islam
stijgt de waardering voor de christelijke beschaving.” Zelf heeft hij
slechts “een vaag religieus gevoel”, als dat kan. Maar “dat verketteren
van het geloof”, dat hoeft voor hem niet. “Ik ben geen atheïst – dat zijn
vaak de saaiste mensen. En de liberale gedachte van het gelijk van het
rationele individu, daar zie ik niets in. Ik denk dat we toch iets nodig
hebben.” Religie bedoelt hij daarmee, al aanvaardt hij ook de suggestie
van een sterke staat.
Eigenlijk is het hem allemaal te doen om
vergeving. Het belangrijkste hoofdstuk in Publieke tranen gaat
dáárover, vindt hij. “Zonder vergeving van het verleden kun je ook geen
toekomst hebben.” En vooruit: “Daar hoef je niet eens katholiek of
protestant voor te zijn; Hannah Ahrendt en Paul Ricoeur, de grootste
humanistische denkers die er zijn, hebben daar al op gewezen.” Nu staat
echter zowel de vergeving als een toekomstvisie op de tocht – bij de
politiek, ja. “Het is zo jammer dat Paars niet heeft gezien dat we een
belofte voor de toekomst nodig hebben, waar we als samenleving aan kunnen
werken. Voor mijn part een Schiphol in Zee, een nationaal project,
anything. We zijn een volk van Deltawerken, we voeren de wereld over,
maar wat is daarvan over? Geld en efficiency! Zo bevorder je het gevoel
van malaise.”
Aan het eind van het gesprek zegt hij
beroepsmatig blij te zijn met grote uitbarstingen van emoties. En dan:
“Misschien ben ik dat ook persoonlijk wel, omdat ik een zeer emotioneel
mens ben en zo iets wezenlijks van de mens herken.” Hij laat wel eens een
traan bij films waarin echtparen gescheiden zijn, net als hijzelf. “Maar,”
klinkt het terstond, “ik ben ook een zeer rationeel mens, die zulke
botsingen wil beschouwen. En met deze karakterstructuur voel ik vrij snel
wat er kan gebeuren in de maatschappij. Daar ben ik wel trots op.”
Publieke tranen. De
drijfveren van de emotiecultuur,
Contact, € 23,95 |