|
The medium is not the message
Alle geklaag over
de verwording van de politiek tot entertainment slaat de plank mis. In
tijden van frustratie en verwarring, en verlangen naar verandering,
geeft altijd de boodschap de doorslag, niet de media die deze
verspreiden. Het is de behoefte aan een duidelijke en opwekkende
boodschap die geprojecteerd wordt in de persoon die deze verkondigt.
Ook als er helemaal geen profeet voorhanden is, kan de revolutie
uitbreken. De DDR liep in 1989 gewoon leeg als een ballon, pas daarna
begonnen de Oostduitsers in Helmut Kohl de verlosser te zien. En zijn
boodschap was een soundbite: Wiedervereinigung, blühende Landschaften.
Kohl bezat geen gram charisma zoals zijn tegenstander Willy Brandt, en
toch won Kohl. Hetzelfde gold eerder voor Margaret Thatcher en later
voor ‘winnaars’ als George Bush jr. en Le Pen: onwaarschijnlijke
figuren die eerder ondanks dan dankzij hun eigen persoonlijkheid
triomfen wisten te boeken.
In verwarrende
tijden moet de boodschap een soundbite zijn, en tegelijkertijd de deur
openen naar een samenhangende toekomstvisie. ‘It’s the economy,
stupid!’ riep iemand uit een Amerikaans provinciestadje, en hij won.
Toegegeven, Clinton was meer dan een boodschap. Hij liet zien wat voor
ongekende aantrekkingskracht uitgeoefend kan worden als de boodschap
ook nog vertolkt wordt door een fascinerende persoonlijkheid. Na
Colijn, Drees en Den Uyl beleven we die tijd ook weer in Nederland met
de komeetverschijning van Fortuyn.
Het is waar. De
meeste gevestigde politici en commentatoren reageren nog altijd als
een kudde gnoes in paniek op alles wat de nieuwe messias roept. In
paniek maken ze zich slaaf van de media, en degraderen zich tot de
verschrompelde versie van de gnoe, lemmingen die zich door gebrek aan
lef, boodschap en persoonlijkheid in de afgrond van de publiciteit
storten. Een heldhaftige daad is nergens te bekennen – een ‘front
populair’ oprichten bijvoorbeeld – en zo zou het kunnen geschieden dat
in de platgeslagen polderdemocratie de man die op een molshoop gaat
staan de grootste wordt. De kracht van de polderconsensus is door
partijpolitieke zelfgenoegzaamheid en de ego’s van de lijsttrekkers
veranderd in zijn eigen nachtmerrie: ‘getrennt marchieren, vereint
geschlagen’.
Het is veel te
gemakkelijk om alle verwarring aan de commerciële, ongeduld opwekkende
mediacultuur te wijten. Deze kritici herhalen op povere wijze wat
Johan Huizinga al in 1935 In de schaduwen van morgen schreef:
‘De oogenblikkelijke publiciteit, aangezet door
mercantiel-sensationeele strekking, blaast een eenvoudig verschil van
standpunt op tot een nationale hallucinatie. De denkbeelden van den
dag eischen werking à la minute, terwijl de groote ideeën in deze
wereld altijd zeer langzaam zijn doorgedrongen. Als asphalt- en
benzinegeur boven de steden, hangt over de wereld een wolk van
woordenkraam’. Wat we nu beleven is het doordringen van de ‘groote
ideeën’ naar de oppervlakte, verwoord en gepresenteerd door de
fascinerende Fortuyn, de Nederlandse opvolger van Ronald Reagan en
Bill Clinton.
Fascinatie is een
mengeling van bewondering, afgunst én afkeer. Fascinatie is ‘geboeid’
worden, in positieve en negatieve betekenis. Fascinatie, charisma,
het gaat altijd om én-én. Veel charismatische leiders laten een
ongrijpbare figuur zien: de eenzame, gekwelde of achtergestelde die
niet eens mooi hoeft te zijn. Maar wel voorzien van ogen vol vuur,
wijsheid en droefenis. En een stemgeluid waarin tegelijkertijd
aanklacht, eis en belofte te horen is. Zoals Sebastian Haffner eens
schreef over zijn politieke idool in de Weimar Republiek, Walther
Rathenau, ligt in dit ‘tegelijkertijd’ hun aantrekkingskracht: nuchter
én fantastisch, gedeillusioneerd én opwekkend, sceptisch én vol
vertrouwen.
Dit soms
dubbelzinnige, soms tegenstrijdige maar altijd bonte beeld oefent die
grote aantrekkingskracht uit op ‘de massa’. En ik haast mij over ‘de
massa’ de massapsychologische zelfkennis toe te voegen: ‘tot de massa
die u zo veracht, behoort altijd één meer dan u dacht’. Wat Haffner
over Rathenau’s aantrekkingskracht schreef, gold voor alle grote
historische figuren waarvan we de naam onthouden hebben: ‘de massa
reageert het sterkst op degene die het minst op haar lijkt.
Normaalheid, tezamen met deskundigheid, kan populair maken: maar
peilloze liefde en peilloze haat, adoratie en vervloeking is slechts
de buitengewoon abnormale, voor de massa geheel onbereikbare man
beschoren, of hij nu ver boven of ver onder haar staat’.
In tijden van grote
behoefte aan een messias met ‘groote ideeën’, doet het er niet veel
toe wat voor media er beschikbaar zijn. Een revolutionaire boodschap
gaat ook zonder technische media ‘door de lucht’, als een virus, zoals
tegelijkertijd overal in Europa uitbrekende boerenopstanden en
revoluties in het verleden hebben aangetoond, en zoals nu de ‘ruk naar
rechts’ in Europa bewijst. De media zijn nu misschien nog een graadje
commerciëler en hijgeriger, maar niet wezenlijk anders dan in 1994
toen de sociaal-democratie de wind in de zeilen kreeg. Meer dan de
stuurmanskunst of de vorm van het zeil is het de wind die de boot naar
voren jaagt.
Dat een derde tot
de helft van het electoraat nog niet zegt te weten op wie men gaat
stemmen, bewijst niet alleen dat acht jaar paars een samenleving heeft
achtergelaten die in politiek én moreel opzicht ‘all sail, no anchor’
is geworden. Maar ook de stelling: the medium is not the
message. Veel kiezers zijn overtuigd en opgelucht dat eindelijk een
man is opgestaan die zegt wat zij denken. Maar niet minder kiezers
lijken te vechten tegen de groeiende verleiding om in de ban te raken
van de fascinerende Fortuyn. Men spartelt, verzet zich, maar vindt
nauwelijks nog een strohalm om zich aan vast te grijpen. De
verwarring, de angst voor de gevolgen én de schaamte uit te komen voor
hun fascinatie en afnemende verzet is overal in het land zichtbaar, en
wel in het onzichtbare: van alle uitgedeelde partijaffiches hangt er
nauwelijks een voor de ramen. Men bidt, vecht, hoopt en verwondert.
Fortuyn mag een
conjuncturele hype zijn, maar conjunctuur en Kondratieff vallen wel
samen. We beleven niet alleen het einde van de sociaal-liberale
hoogcunjunctuur, maar het einde van het tijdperk van verlammende
politiek-bestuurlijke symbiose en verplicht politiek correct denken
over de multiculturele samenleving. Iedereen zou blij moeten zijn dat
de democratie eindelijk weer leeft, en dat ‘de massa’ nog niet zo
lamgeslagen is om geen betere toekomst voor zich op te eisen. Sommige
van de huidige regenten, de rebellen van gisteren, roepen nu om het
hardst dat Nederland onbestuurbaar wordt, ja, dat een ‘republiek van
Weimar’ nakende is. Het is waar, ‘Amerikaanse toestanden’ hebben we nu
in de media, maar ‘Italiaanse toestanden’ in de politiek zijn vrijwel
uitgesloten. Fortuyn vertegenwoordigt alleen zichzelf en een idee. Hij
bezit niet meer dan een riant hoekhuis op een rustig pleintje in
Rotterdam, aan de rand van een van de allochtonenwijken, en een
optrekje in Italië. Fortuyn is eerder een arme Clinton dan een
gevaarlijk machtige tycoon Berlusconi. Zolang de huidige koorts onder
de kiezers niet omslaat in de daadwerkelijke behoefte er eens flink op
los te slaan, is Nederland gediend bij de wederopstanding van de
politiek.
Alle gemopper over
‘de verwende kiezer’ slaat tenslotte helemaal de plank mis. De mensen
willen een visie, geen vermanend vingertje dat ze het nog nooit zo
goed hebben gehad en dat hun leven zonder alternatief is. Politiek
gesproken ligt het alternatief voor het grijpen: een tot op zekere
hoogte extraparlementair zakenkabinet, met vakministers die de nu door
iedereen geëiste daadkracht aan de dag leggen. Voor de paarse
partijen, maar eigenlijk voor het hele politieke establishment, zou
zo’n breuk met het verleden goed zijn. Alleen zo kan men loskomen van
de desastreuze erfenis van paars. Die erfenis is politiek –
poldermodel is poldermoeras geworden – maar niet minder moreel: het
gebrek aan moed de feiten onder ogen te zien en te benoemen en het
gebrek aan geestelijk leiderschap en grootse gebaren. Het discutabele
aftreden van het kabinet-Kok over Srebrenica was dat niet. Daarom
blijft Srebrenica het moreel corrumperend symbool van de ‘Ik sta hier
met lege handen’-politiek over de eigen samenleving.
Dat de
lijsttrekkers zichzelf tot slaaf maken van de media, zichzelf
belachelijk maken in de Soundmixshow bewijst slechts hoe weinig
zelfrespect en visie ze nog over hebben. En hoe weinig ze van oorlog,
die verkiezingsstrijd is, begrijpen. Immers, van Machiavelli via
Moltke tot Churchill hebben militaire theoretici deze waarheid
onderstreept: ‘de kracht van de wapens is niet brute kracht maar
geestelijke kracht’. De vertwijfeling van vele kiezers komt niet voort
uit de boodschap van Fortuyn – die delen ze - of zijn uiterlijke
verschijning – die vinden ze prikkelend en geestig - maar uit de vraag
of hij wel over voldoende geestelijke kracht bezit. Dit is een vraag
die over Balkenende niet wordt gesteld. Dat beide figuren aanvankelijk
door het media-politieke establishment werden uitgelachen, maar nu
favoriet zijn in de peilingen bewijst mijn stelling: the medium is not
the message. Het is de overtuigend gebrachte boodschap zelf.
Henri Beunders
Hoogleraar
geschiedenis van maatschappij, media en cultuur Erasmus Universiteit |