|
Henri Beunders
De gevestigde politieke
orde ligt onder vuur, en probeert zich op alle mogelijke manieren aan het
veranderde tij aan te passen. Melkert, die Nederland opriep wakker te
worden, is zelf intussen wakker. Net zoals ‘de wakkere krant van
Nederland’, De Telegraaf, die als VVD-krant tegen Fortuyn schreef
en hem nu ineens alle ruimte geeft. Kortom, iedereen is wakker geschud. Of
niet?
Opmerkelijk genoeg zijn
het de kwaliteitskranten zelf die ook nogal moeite hebben gehad met het
ontwaken. Zij zijn onder Paars te veel onderdeel geworden van het
mediapolitieke establishment. Daarom is er een herleving nodig van New
Journalism, de manier waarop de journalistieke angry young men
in de jaren zestig de maatschappelijke verhoudingen en de machthebbers
kritisch bejegende, en de kritiek in een nieuwe journalistieke taal
verwoordde: geestig, literair en vooral duidelijk.
Niemand kan zeggen dat
de kranten de afgelopen paar decennia er niet veel aan hebben gedaan om de
kloof met de lezer te dichten. De krant werd van een verzuilde krant een
breed platform, de onderwerpen en presentatie werden populairder. Deze
trend ging ook aan De Volkskrant niet voorbij, integendeel. Lezers
mochten zelf in de krant schrijven, de stoet columnisten werd zozeer
uitgebreid dat ze bijna het hele gevestigde politiek-maatschappelijke
spectrum weerspiegelden, inclusief vrouwen en allochtonen.
Zo is de krant een bont
palet van meningen geworden, maar vaak van de vlotte soort. Want om de
strijd met de tv te winnen was het devies: zo kort en leuk mogelijk. De
krant moest voortaan, net als de tv, voor elk wat wils bieden, en liefst
hapklaar. Veel van die veranderingen betekenden een hele verbetering bij
de voorgeprogrammeerde, ‘verzuurde’ krant die voornamelijk weemoed
uitstraalde naar de jaren-Den Uyl. Die cultuuromslag te bewerkstelligen
was a hell of a job, en ik neem mijn petje er voor af.
Zoals Kok begin jaren
negentig zijn ‘ideologische veren’ afschudde, zo deden kranten als de
Volkskrant dat dus ook. Bij alle journalistieke verbeteringen en bij
alle bewondering voor de enorme klus om een krant temidden van ontzuiling
en ontlezing overeind te houden, zijn hierbij echter een paar cruciale
dingen teveel verwaarloosd. De eerste is dat met de ontideologisering het
kind met het badwater is weggegooid. Met het gejubel over de verdrijving
van het CDA uit het bolwerk van de macht, en over de komst van Paars, werd
behalve definitief afscheid van de Den Uyl-ideologie ook door te veel
journalisten afscheid genomen van de kritische journalistiek. Want Den Uyl
mag veel verkeerd hebben gezien, zoals de behoeften van ‘de gewone man’,
maar wat hij in 1973 in zijn regeringsverklaring zei was een waar woord:
‘waar visie, waar uitzicht ontbreekt, komt het volk om’.
Wie nu spreekt van ‘de
verloren jaren van Kok’, zoals PvdA-sympathisant en publicist Paul
Scheffer onlangs in NRC Handelsblad en in Buitenhof deed,
heeft wel gelijk, maar vergeet dat er in de meeste media zelf onder Paars
ook nog tal van taboes bleven bestaan – immigratie, WAO, criminaliteit. En
dat er tegelijk een kritiekloze houding ontstond tegenover alles wat zich
‘topmanager’ noemde. Bij deze verafgoding van al het nieuwe en commercieel
succesvolle, bleef driekwart van de dagbladjournalisten zich ‘links’
noemen. De mens kan blijkbaar wel één keer maar niet twee keer van zijn
geloof vallen. Dat is jammer, want er was al vanaf 1994, zoals nu wel
blijkt, voldoende reden om Paars kritisch te volgen. Dat is te weinig
gebeurd. De reden: de journalisten hadden daartoe voor zichzelf een nieuw
ideologisch kader – met ‘linkse’ en ‘rechtse’ elementen - moeten scheppen
van waaruit men voortaan de gebeurtenissen bekeek. Dat gebrek aan een
nieuw maatschappijbeeld wreekt zich nu. Zonder eigen visie en uitzicht
vergroten de media eerder de onduidelijkheid dan dat ze deze reduceren.
zo heeft die ontideologisering ertoe geleid dat op het uithangbord van de
krant het woord ‘links’ weliswaar vervangen werd door ‘objectiviteit’,
‘onafhankelijkheid’ en ‘professionaliteit’, maar dat het winkelpersoneel
binnen, de journalisten, zich steeds onzekerder voelden, en de klant
steeds meer naar de mond praatten. Ze noemden zich nog wel ‘progressief’,
maar leidden intussen zelf al lang een tamelijk verburgerlijkt bestaan. In
het grootscheepse enquête-onderzoek waarop Mark Deuze deze week is
gepromoveerd, Journalists in the Netherlands, komt een scherp beeld
naar voren van ‘de doorsnee-journalist’: een blanke, wat oudere man,
links, niet-religieus, afkerig van internet, die ambitieus is, dat wil
zeggen niet graag met primeurs komt maar graag wil ‘duiden’ in analyses.
Ook al is er het nodige af te dingen op deze studie, sommige conclusies
zijn tamelijk schokkend. Zoals deze: ‘De meeste journalisten hebben weinig
tot geen contact met het publiek. De meeste tijd wordt op de redactie,
achter het computerscherm doorgebracht. De journalistiek is met andere
woorden een ‘gewone’ bureaubaan’, aldus Deuze. Dat is geen geen goed
nieuws, zoals hoofdredacteur Pieter Broertjes, die een instemmend
voorwoord schreef, ook terdege inziet. Hij zoekt de oplossing terecht in
betere opleidingen en in grotere interactiviteit met de lezer. Er is meer
nodig, namelijk een nieuwe visie bij de journalist zelf.
Een ander gevolg van de
ontideologisering - lees: heimelijke verburgerlijking en verrechtsing, van
de gevestigde dagbladjournalistiek - is het kwalijke neveneffect van die
op zich goede pogingen om de lezer bij de krant de betrekken. Hierdoor is
de tendens versterkt om te denken dat het nieuws (via anp, tv en internet)
én de meningen (via de lezer en de columnisten) wel naar die bureaustoel
op de krant toekomen, en dat je er zelf niet meer op uit hoeft te trekken.
Het resultaat was niet the best of both worlds, eerder het
omgekeerde. De ‘duiders’ bleven zich bijna automatisch achter Paars
scharen. Met als absoluut dieptepunt de manier waarop Melkert vorig jaar
door kwaliteitskranten zoals NRC Handelsblad in bescherming werd
genomen in de zaak van de ESF-fraude, en daarbij de paar vasthoudende
onderzoeksjournalisten in de kou zette.
Toch verkeerden veel
‘bureaustoelers’ in de overtuiging dat zij midden in de mediamaatschappij
stonden. Zij hadden immers intussen zo’n goed contact met de eigen lezers
en keken immers elke avond naar Barend & Van Dorp. De vergissing
was dat die eigen lezers en dat lollige tv-programma representatief zijn
voor ‘het volk’. Barend & Van Dorp is het krantenmagazine op tv, en
Jan Mulder belichaamt de fusie tussen de Volkskrant en RTL.
Maar hoe goed hij als columnist ook is, in politieke zin is hij de Pim
Fortuyn van links. Het nadeel voor de kwaliteitskranten is geweest dat
door de overdosis infotainment in de kolommen het politieke debat naar
late night shows is verschoven.
Op zich is dat al
kwalijk, nog kwalijker is dat Barend & Van Dorp zelf al lang een
gevestigde en soms zelfs oubollige show is, een updated versie van het
Vara-programma Haagsche Bluf van 25 jaar geleden, en ook niet goed
weet wat er onder ‘het volk’ leeft. Keer op keer probeerde het
presentatorentrio een ‘links’ dan wel ‘kritisch’ vuurtje te stoken om dan
te ontdekken dat men op het verkeerde paard had gewed. Kosovo, Big
Brother, Afghanistan, Máxima: elke keer begon men ertegen te fulmineren,
om vervolgens – als men doorkreeg dat ‘het volk’ heel positief over deze
zaken/mensen stond - de deelnemers aan Big Brother (of Starmaker) of de
verafgoders van Máxima alsnog juichend in hun programma te verwelkomen.
Want, the show must go on.
De goede tv-programma’s als Barend & Witteman en de goede katernen
van de kwaliteitskranten uitgezonderd, hebben de talkshow en de
‘bureaustoel’ ertoe geleid dat veel redactielokalen en zeker ‘Hilversum’
de afgelopen jaren zichzelf onder een kaasstolp hebben gezet. Daaronder
discussieert men ‘openhartig’ met elkaar, maar volgens de lang gevestigde
medianormen: altijd lachen en leuk doen, en nooit boos worden. Alleen
Mulder mocht dat, een nieuwkomer als Fortuyn niet, laat staan ‘de gewone
man’. Het is een wereld van ons-kent-ons, waar alleen de succesvollen
welkom zijn en waar een laag mediagetrainde teflon om heen zit.
Waar de
niet-mediagetrainde Nederlander nog het meest aan het woord komt is
intussen op de radio, op internet en in sommige weekbladen. Wie nu
verbaasd is over het succes van Fortuyn heeft daarom niet zeer goed
opgelet. Studenten lezen al jaren Elsevier en Nieuwe Revu,
en lopen de collegezaal in met Metro of Spits. Wie sommige
internet-sites had bekeken of vaker naar de phone-in programma’s op
de radio had geluisterd, zoals Standpunt.nl, had kunnen weten dat
de burger inderdaad al lang mondig is, en dat Het Lagerhuis daar
slechts de goed-opgeleide en beleefde variant van is. En dat die mondige
burger niet alleen een tamelijk bang geworden burger is geworden, en een
boze burger die zijn openbare ruimte terug wil, maar ook een burger die
duidelijk voor zijn mening uit wil komen. En vooral ook duidelijkheid van
de overheid verlangt. Dit betekent geenszins dat al die burgers dezelfde
‘populistische’ standpunten huldigen, integendeel: de verdeling tussen ja
en nee bij Standpunt.nl liggen niet zelden half-half.
Wat deze behoefte aan
duidelijkheid voor de journalistiek betekent ligt voor de hand: kom uit
die bureaustoel en begeef je onder ‘het volk’. Ga eens een week ’s
ochtends in de file zitten en luister niet naar Radio 1 maar naar
Jensen in de Ochtend. Draai eens een week mee in een gestrest
eenoudergezin. Hou diepte-interviews met ‘de gewone man’ die het geld dat
ie leende om aandelen te kopen heeft verloren door de beurscrash. Ga
undercover bij Leefbaar Nederland of de lijst-Pim Fortuyn. Of logeer eens
in een verpleeghuis of bij een anoniem gezien. Want het geheim van de
oplossing, in dit geval ‘de publieke opinie’, ligt, zoals Sherlock Holmes
al wist, soms in ‘de hond die niet blafte’. Ik weet, het gebeurt af en toe
wel degelijk en ook goed, maar niet vaak genoeg.
Er is New Journalism
nodig, met als kern politieke onthullingen en ‘de documentaire op papier’,
zoals je die nu alleen nog in een uithoek van ons medialandschap, op Radio
5, kunt beluisteren. Want te denken dat we nu in een perfecte democratie
leven nu iedereen over een toeter beschikt, vergist zich. In onze
mediacratie zijn indringende reportages en heldere, gefundeerde inzichten
onmisbaarder dan ooit.
Dat de krant als geheel gebaat is bij nieuwe duidelijkheid behoeft ten
slotte ook geen betoog. In de huidige mediamaatschappij vormen de media
een actieve partij, en moeten daar dus ook voor uitkomen. De kranten die
zich twintig jaar geleden bevrijdden uit het getto van de verzuiling,
hebben zich sindsdien opnieuw de gevangene gemaakt, dit keer van de
illusie ‘boven de partijen’ te staan. Dat is een illusie, net zoals het
een illusie is dat als je gisteren opvattingen had waar je spijt van
kreeg, je er vandaag helemaal geen meer nodig hebt.
Daarom zou het goed
zijn als kwaliteitskranten zoals de Volkskrant voor 15 mei gewoon
weer en stemadvies zouden geven. Kranten als The
Washington Post en The New York Times doen dat ook. In
2000 kozen zij voor Al Gore en tegen George Bush. Dat heeft aan hun
respectabiliteit geen afbreuk gedaan, integendeel. De lezer wil gehoord
worden, de lezer wil geen voorgeprogrammeerde en opgedrongen meningen maar
de lezer wil wel een gefundeerd oordeel.
De auteur is hoogleraar
maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit |