|
Henri Beunders
Op 11 februari
onthoofdde Pim Fortuyn zich als lijsttrekker van Leefbaar Nederland door
in de Volkskrant te zeggen dat hij artikel 7 van de Grondwet
(vrijheid van meningsuiting) prefereerde boven artikel 1 (discriminatie
niet toegestaan). Een week later schreef Peter Giesen in dezelfde krant:
‘De aftocht van Pim Fortuyn was geheel in stijl. De man die gemaakt was
door de media, werd ook weer door een medium, in dit geval de
Volkskrant, gebroken’. Premier Kok deed Fortuyn vervolgens af als ‘een
mediahype’. Drie weken later stemde meer dan een derde van de Rotterdamse
kiezers op Pim Fortuyn.
De beste journalisten,
commentatoren en columnisten deden, voor én na 11 februari, hun best om
Fortuyn te negeren of er louter van buitenaf badinerend over te schrijven
– zoals NRC Handelsblad. Of, zoals linkse politici en journalisten,
hem te demoniseren: Hij was ‘een minderwaardig mens’, een ‘Mussolini’, een
soort Milosevic, ‘gedreven door machtswellust’, en ook nòg sterkere
verwijzingen, naar Hitler zelf, ontbraken niet. Nuchterder waarnemers
deden hem af als efemeer verschijnsel: ‘een kwibus’, ‘een halvegare’,
‘een kale relnicht’, ‘een tweede Hadjememaar’, ‘een boer Koekoek in
pinstripe’ of een ‘Ross Perot’: over een paar jaar ‘een meelijwekkende
buitenstaander’.
Bovenstaande bewijst
twee dingen: de overschatting van de macht van de media en de
onderschatting van de driving force van Fortuyn én de groeiende
kiezerschare achter hem. We mogen in een mediamaatschappij leven, en de
media mogen meer dan ooit te voren belust zijn op het versterken van
sensatie en heftige emoties, de media vormen niet the heart of the
matter. Dat hart ligt in de mix van mens en maatschappelijke
ontwikkelingen. Die laatste duiden op een grote toekomst voor de ideeën
van Fortuyn. De kracht ervan ligt in het dubbele aanbod dat Fortuyn doet:
met hyperinvidualisme, internet en interim-management vooruit, over de
barrières van bureaucratie naar de toekomst, en tegelijkertijd terùg naar
de kleinschalige geborgenheid van de jaren vijftig. Modernisering plus
nostalgie.
De maatschappij
Waar J.L. Heldring in
2000 de heersende moraal omschreef als ‘nihilisme met een menselijk
gezicht’ waartegen een conservatieve beweging geen kwaad zou kunnen, is
het fortuynisme beter te typeren met ‘reactionair modernisme’, al is dit
een sterk beladen term. De historicus Jeffrey Herf muntte deze term
namelijk om de januskop van de nazi-periode te omschrijven. De grote
economische en technologische progressiviteit ging toen gepaard met de
sociaal- en cultureel-reactionaire wensdroom terug te keren naar het
verleden, de middeleeuwen liefst. Weg uit de anonieme, vernederde,
bureaucratische maatschappij, terug naar de organische, heroïsche
en hiërarchische gemeenschap. Sommigen, zoals Thomas Mann, zagen
destijds al scherp hoe dubbel het beeld was dat eerst Wilhelm II en later
de nazi’s uitstraalden: ‘Juist dit was het karakteristieke en bedreigende:
de menging van robuuste eigentijdsheid, prestatiegerichte
vooruitstrevendheid en de droom van het verleden, de hoogtechnologische
romantiek’.
Deze term ‘reactionair
modernisme’ wordt hier niét gebruikt als goedkope associatie, maar om
duidelijk te maken hoe fundamenteel anders Fortuyn is dan de
komeet-partijen in het verleden. De Boerenpartij was een conservatieve
partij, D66 een pragmatisch-progressieve partij, de Ouderenpartij een
belangenpartij, en Provo (‘Stem Provo, keje lachen’) miste elk gevoel voor
ernst of missie waar Fortuyn zo’n grote dosis van bezit. Met zijn dubbele
boodschap – vooruit èn terug - vertolkt Fortuyn een mentale grondstroom
van aanvaarding van het harde, moderne en snelle leven en tegelijk een
enorme behoefte aan duidelijkheid, orde en veiligheid: internettend op het
zonovergoten, rustige dorpsplein.
Nostalgie en woede over
de persoonlijke en maatschappelijke ontwikkelingen, niet de media, vormen
de ijzersterke combinatie die Fortuyn zo groot hebben gemaakt. ‘Revolutie
voorbij aan Amsterdam’, kopte Het Parool op 7 maart. Bewaar die
krant, het wordt een collectors item. Wat zijn die ontwikkelingen die nu
zo hard op elkaar botsen? Een paar sleutelzinnen moeten hier volstaan.
Voltooide emancipatie en een record aantal stress-ouders en
echtscheidingen. Eindeloze mobiliteit en recordlengtes stilstaande of
langzaam rijdende files. Eindeloze vrijheid om zelf te reizen, en een
eindeloze immigratie die hier het gevoel van claustrofobie alleen maar
bevordert. Eindeloze beklemtoning van de noodzaak tot efficiëntie,
creativiteit en eigen verantwoordelijkheid, en een alsmaar toenemende
bureaucratisering bij overheid, bedrijven en instellingen. Ofwel: steeds
meer gelijkheidheid steeds meer strijd, steeds meer vrijheid steeds meer
regels en anonimiteit.
De periode van de val
van de Muur tot de Elfde September kunnen we daarom typeren als het
Twaalfjarig Bestand van vrijheid, welvaart, verveling én groeiende
frustratie. Die frustratie voedde de nostalgie, die roos die bloeit op het
graf van verloren illusies. Maar Fortuyns bloemrijke taal en dito
uitdossing suggereren een venijnig-vrolijke, zelfbewuste uitweg uit de
impasse, op naar een mooie toekomst. De voedingsbodem is evenwel
doordesemd met angst en wrok over het niet-gehoord zijn over cruciale
aspecten van de samenleving.
Veiligheid werd in de jaren negentig hét thema dat die nostalgie sterker
en sterker maakte en die nu is uitgemond in Fortuyns utopie om de
slagbomen weer neer te laten bij de grens, en er een douanier met een pet
op voor te zetten. Maar deze nostalgische droom is gevoed door allerlei
mensen, die op 6 maart waarschijnlijk niet op Fortuyn hebben gestemd. De
feministen die eind jaren tachtig de eerste stille tocht organiseerden in
Groningen voor een vrouw die verkracht en vermoord werd door een
vrijgelaten tbs-er. De goedwillende mensen die in al die stille tochten
bijeen kwamen uit solidariteit en empathie, maar ook met de droom dat het
op straat weer zo veilig kan worden als in de tijd dat je je fiets nog
niet op slot hoefde te zetten.
Het gevoel door de
overheid verlaten te zijn op het gebied van veiligheid, is vanaf
Srebrenica in 1995 telkens weer bevestigd: Tjoelker (Kok: ‘Ik sta hier met
lege handen’), Oosterpark-rellen (Rapport: ‘De veiligheidsrisico’s van de
politieambtenaren zijn hoger ingeschat dan de veiligheidsrisico’s van de
burgers’), Gorcum (Korthals: ‘Het is aan de samenleving en niet aan de
overheid om de veiligheid op straat te garanderen’). Angst voor de eigen
fysieke veiligheid is de sterkste emotie die de mens kent. Geen wonder dus
dat nu vooral op dat punt de woede en de nostalgie zulke bizarre vormen
hebben aangenomen. En de kreten over oorzaken en oplossingen van hetzelfde
niveau zijn: ‘kut-marokkanen’, ‘meer blauw’, ‘deporteren’. De ultieme
oplossing, de doodstraf, wordt door de meerderheid van het volk gesteund,
door de media en de ‘weldenkende elite’ weggehoond.
‘Goeienavond, dood door
protest tegen breedbeeld-televisie’. Zo opende Philip Freriks vorige week
het Journaal, half ongelovig, half ironisch, over de verwarde man die
honderden mensen had gegijzeld in de Rembrandtoren, de Amsterdamse Twin
Towers. Van ironie zou geen sprake zijn geweest, en het woord doodstraf
zou wél hebben geklonken als de man niet zichzelf maar tien, twintig of
honderd gegijzelden had doodgeschoten. Wait and see, dus.
Manisch-depressief
In een grenzeloze
wereld liggen vrijheid en terreur, geluk en paniek heel dicht bij elkaar.
Het is de ideologie van grenzeloze economische groei, grenzeloze
deregulering, grenzeloze immigratie en grenzeloze persoonlijke vrijheid
die met een knal tegen de wal is gevaren. Want het was een alternatiefloze
wereld, geheel conform de stelling van Francis Fukuyama uit 1989 over ‘het
einde van de geschiedenis’, dat wil zeggen van de ideologische
tegenstellingen nu het westerse democratische kapitalisme het communisme
had verslagen. Deze fantasieloze wereld van ‘het kan niet anders’ maakte
van de politiek een gebedsmolen zonder eind met als refrein de woorden:
‘beleid’, ‘complex’ en ‘geduld’.
Deze woorden staan
haaks op de behoefte aan minimale rust en veiligheid, maar helemaal haaks
op de moderne mediamaatschappij, zeker sinds de komst van internet vanaf
1995. De droom dat internet de weggevallen sociale banden zou opvangen met
‘virtuele gemeenschappen’ is niet uitgekomen. Mensen chatten en sms-en
vooral meer met bekenden, of sturen heftige meningen naar phone-in-programma’s
als Standpunt.nl. De snelheid waarmee we nu informatie vergaren,
reserveringen boeken en onze meningen uiten, heeft het ongeduld alleen
maar versterkt. En ongeduld was door de afstandbediening toch al een
kenmerk geworden van het nieuwe mediatijdperk dat eveneens in 1989 begon:
met het wegvallen van ‘de muur om Hilversum’ en de komst van de
schaamteloze, commerciële televisie.
De dwang tot succes en
genot en de versterking van het ongeduld hebben de maatschappij een
manisch-depressief karakter gegeven. Kick vandaag, prozac morgen. Gejuich,
rouw en woede én sentimentaliteit wisselden elkaar in een steeds hoger
tempo af. Sporttoppers, stille tochten, rages en hypes. De media, in
dodelijke concurrentie met elkaar, hebben sinds 1989 de pieken en dalen in
deze steeds vaker en heftiger uitslaande grafiek van het nationale gemoed
enorm vergroot. En hier ligt de grote onderschatting van Fortuyn. Hij
belichaamt behalve de linkse stelling ‘al het persoonlijke is politiek’
ook de manisch-depressieve samenleving, want hij leed zelf aan ‘bipolaire
karakterstoornis’. In Babyboomers beschrijft hij hoe hij, eind
jaren ’70, versuft in een volstrekt verduisterde kamer lag en eindeloos de
2e van Mahler draaide. En vervolgens in psychoanalyse ging.
‘Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt. Maar altijd de moeite waard. Dat
gold vóór de analyse, in versterkte mate geldt dat ook ná de analyse’.
Mahler, Fortuyn, pure emotie, pure romantiek.
Patroon
Het is goed om in het
cardiogram van de nationale psyche het patroon te herkennen van
afwisseling en dubbelzinnigheid. Zacht en hard gingen steeds naadlozer in
elkaar over: van empathie naar leedvermaak (stille tochten/huil-tv versus
Bloopers/Jerry Springer), van woedende dadendrang naar nostalgie. Al die
emoties worden met grote zelfverzekerdheid geuit, want emotie was
inmiddels tot waarheid verheven: ‘Het is waar omdat ik het zo voel’.
Kenmerkend voor de grote wisselvalligheid van het nationale gemoed en de
rol van de media hierin als emotie-versterkers waren die eerste twee
weekeinden van februari. Op 02-02-02 huilden 2,2 miljoen kijkers bij het
zien van Máxima’s tranen. Een weekeinde later tikte half Nederland zijn
vingers beurs van woede op het toetsenbord van internet of mobiele
telefoon over het afzetten door Leefbaar Nederland van haar lijsttrekker:
‘Schande!’, ‘#$%^%&!!’, ’Leve Pim!’ En niet zelden zijn het dezelfde
mensen die de ene dag huilen van ontroering en de volgende dag stampvoeten
van kwaadheid. Bekend is dat een man die meeliep in een stille tocht voor
Meindert Tjoelker de volgende dag zelf iemand in elkaar sloeg omdat die
met zijn auto in de weg stond.
De meeste media hebben
op een merkwaardige wijze bijgedragen aan de emotionalisering van de
samenleving, en dus de creatie van Fortuyn. Sommige kwaliteitsmedia werden
onderdeel van het mediapolitieke complex met ‘Den Haag’ als midddelpunt,
en vergrootten daarmee bij the silent majority de woede over het
uitblijven van instantoplossingen. Andere kwaliteitsmedia reduceerden
zichzelf tot platform waarop allerhande zaakwaarnemers en goedgebekte
Nederlanders met elkaar konden debatteren, met de presentatoren als
neutrale ‘moderator’. In de overtuiging dat de burger een rationele en
mondige mens is, lieten zij de conclusie geheel aan de kijkers/lezers
over. Een beetje zoals Yoga Berri, de Amerikaanse Johan Cruyff, eens zei
tegen de man die hem de weg vroeg: als je bij de t-splitsing komt, neem
die dan. In deze wereld van het teveel, in deze wereld van voor elk wat
wils, werd de mediameningenfabriek dat ook. Het resultaat was
compassion fatigue met het leed ver weg of, in de wanhopige poging een
einde te maken aan het geweld en conclusieloze gepraat, het prefereren van
de simpelste oplossing om er een einde aan te maken.
De Elfde September
heeft deze behoefte aan simpele oplossingen en terugkeer naar het
geborgen, veilige gisteren - met behoud van de hoogtechnologische
verworvenheden van vandaag en morgen - ook in Nederland manifest gemaakt.
Vanaf die datum was de opmars van Fortuyn onweerstaanbaar. Hij belichaamt
de ultieme moderniteit van emancipatie, materieel succes en emotioneel
exhibtionisme, en wint daarmee de jongeren, maar tilt ook als eerste de
nostalgie naar politiek niveau, en boort daarmee een ongekend groot
potentieel aan. Dat de serieuze journalistiek de politieke potentie van
die nostalgie niet heeft gezien, is een jammerlijk feit. Want de
voorbeelden lagen voor het oprapen. In het Amerika dat we zo graag wilden
inhalen (zonder de schaduwzijden dan, de grootste illusie) werd Ronald
Reagan in 1980 president op de golven van nostalgie en ontgoocheling over
Vietnam en Carter. In Engeland was Margaret Thatcher al aan de macht met
haar hang naar de middenstand en de tijd ‘dat de pond nog een pond was’.
Dezelfde tijd dus dat hier Dries van Agt werd weggelachen met zijn
Ethisch Réveil. Intussen is in bijna alle landen de politieke
nostalgie al langs geweest, alleen Nederland nog niet. Tot nu.
Een charismatisch,
revolutionair leider wordt geboren uit de mix van gekwelde, gedreven
persoon en behoeftige tijdgeest. Waar nostalgicus Van Agt mislukte, waar
‘Macher’ Lubbers mislukte (‘Nederland is ziek’, ‘kampementen’), combineert
Fortuyn beide, net als Reagan: terug naar de tijd van de God en saloon, en
húp in één keer alle stakende verkeersleiders ontslaan. Nostalgisch en
bikkelhard. Fortuyn is Van Agt en Lubbers in één persoon. Laten we dus ook
de katholieke nostalgie van Fortuyn, omhangen met Moeder en Maria, niet
onderschatten. Het helpt het consistente verzet van Trouw
(‘Gereformeerden liegen altijd’) verklaren, en ook de paniek een weerzin
bij de andere kranten, de a-religieuze Telegraaf, het nog altijd
enigszins anti-paapse NRC Handelsblad en natuurlijk de
oud-katholieke Volkskrant.
Nostalgie
Nostalgie is wel
omschreven als ‘herinnering waar de pijn uit verwijderd is’. Vandaar dat
in de verheerlijking van het eigen verleden het plezier het ook altijd
wint van de klachten over het heden. De tv grossiert sinds jaar en dag in
dit soort nostalgie: Toen was geluk heel gewoon, Het gevoel van
(over muziek van weleer) etc. Als sociologisch sentiment drijft nostalgie
op de veranderingen waar de geschiedenis voor zorgt en werkt als een
aanpassingsmechanisme om overeind te blijven.
Opmerkelijk genoeg is
de nostalgie waarop Fortuyn voortborduurt progressief begonnen. De hippies
die voorwaarts terugwilden naar de niet meer bestaande natuur – joint én
synthesizermuziek van Eight Miles High. De aanhangers van Den Uyl
die in bruin corduroy voorwaarts-terug rondliepen uit solidariteit met de
niet meer bestaande arbeiders. De identiteitsbewegingen zoals feministen
en zwarten die op zoek waren naar een verloren, ‘vaste’ gemeenschap. De
nostalgie heeft zich pas het afgelopen decennium verbreid over alle
groepen van de bevolking, en dat is logisch. Nostalgie is een menselijke
reflex tegen de dynamische ontevredenheid die het moderne kapitalisme
eigen is.
Met de dubbele droom
van voorwaarts libertijns hedonisme en radicale bestuurlijke modernisering
én de terugkeer naar de wereld van de dienstplicht, de bakker en de slager
die tevens raadslid zijn bedient Pim Fortuyn dus zowel de progressief als
de reactionair. Alleen de conservatieven niet: de gevestigde partijen en
de gevestigde media die zich in grote meerderheid nog steeds ‘links’
noemen, maar praktisch al lang verburgerlijkt en nostalgisch zijn (in
VN is het gezin hét thema, en seks is van Opzij niet langer
verplicht). Ideologisch is regentesk links een holle boom geworden: met
één welgemikte trap omver te kegelen. Dat is wat Fortuyn heeft gedaan, en
daarom is hij ook de held van vele jongeren. Ze worden ‘geil’ van iemand
die bestaande barrières op wil ruimen, de waarheid zegt en elke bestaande
logica tot in zijn logische eindpunt doortrekt. Plus ultra!
Fortuyn mag een Ross
Perot zijn en het uiteindelijk afleggent egen iemand die nog in de
coullissen staat. Dat overkomt revolutionairen wel vaker. Misschien wordt
het een progressief die én economische modernisering én koesterende,
nostalgische warmte aanbiedt zoals Bill (‘I feel your pain’) Clinton.
Waarschijnlijk is dat niet, al heeft Fortuyn voor de zekerheid toch maar
het woord ‘zorgzaam’ in zijn verkiezingsprogram opgenomen. De verkiezing
van brekebeen en verbale stuntel George Bush jr in 2000 maakte al
duidelijk dat de politieke grondstroom van nostalgie en woede, en niet de
media of het mediagenieke karakter van de kandidaat, momenteel
doorslaggevend is. Emoties, meer dan argumenten over ‘lastig dossier’
zussemezo, geven de doorslag. Vraag het Nixon tegenover Kennedy, Carter
tegenover Reagan, Gore tegenover Bush.
Volgens Fortuyns
bestseller accepteren PvdA en VVD geen enkele verantwoordelijkheid voor de
puinhopen van Paars, ‘die als een soort natuurgebeuren de burger treffen
in zijn bestaan’. Hij zet er een natuurgebeuren tegenover, zichzelf.
Emotie drijft de mens, zeker de charismaticus à la Fortuyn, met zijn
gewelde bezieling, ongelooflijke lef en dito bek. Maar hij zou nergens
zijn zonder emotionele burgers die hem in al het breekbare, eenzame,
overmoedige en woedende herkennen dat ze in zichzelf meedragen. Ze roepen
nu ‘Hosannah!’ tegen de messias die zich niet, als Gulliver, met touwtjes
als ‘kaders’ en ‘randvoorwaarden’ aan de grond laat snoeren. Ze weten dat
het hoog spel is, dat weet Fortuyn ook.
Misschien haalt ie
glorieus het laatste lijsttrekkersdebat eind april in Hennry Huisman’s
Soundmixshow – u leest het goed, elke dag een noviteit, elke dag ‘keje
lachen’. Misschien roept de aanhang morgen al ‘Kruisigt hem!’ Misschien
vervalt ie voor die tijd al in een zware depressie. Maar ik zou er niet op
rekenen als ik Paars was. Daarvoor botst de statische politiek teveel op
de emotionele samenleving. En daar ligt the heart of the matter.
De schrijver is auteur
van het boek Publieke Tranen. De drijfveren van de emotiecultuur. Contact
2002 |