|
Fotografie en
werkelijkheid. Waarom vormen deze twee woorden zo’n irritant moeilijke
combinatie? Omdat beide woorden duidelijkheid suggereren, een
duidelijkheid die er meestal helemaal niet is. Filosofisch gesproken
kunnen we de werkelijkheid buiten ons directe blikveld zelf helemaal
niet met zekerheid kennen, hooguit er een vermoeden, er ons een beeld
van vormen. En dat doen we permanent, soms bewust, meestal onbewust,
gestuurd door allerhande gewenste en ongewenste gegevens die onze
hersenen, ons hele lichaam, binnenkomen. Zo proberen we een beeld van
de werkelijkheid te vormen, en onze eigen plaats erin te bepalen.
Bij de vorming van
dat wereldbeeld komt altijd veel dwang om de hoek kijken, van de eigen
kennis en ervaring, van de traditie, van de ideologie, van het geloof,
van de machthebbers. Wat de precieze verhouding tussen deze invloeden
op de vorming van het beeld van ‘de werkelijkheid’ was in de tijd voor
de uitvinding van de fotografie is onderwerp van de studie van de
mentaliteitsgeschiedenis. De bronnen ervoor zijn divers en vaak zeer
speculatief. Egodocumenten zoals dagboeken zijn nog de meest
betrouwbare bron, maar die zijn schaars voor de categorie ‘de gewone
man’. Wat die gewone man voor beelden in zijn hoofd had van de
buitenwereld weten we niet of nauwelijks. Sommige historici doen wel
of ze weten hoe het voelde om arme turfsteker in Drente in de 19e
eeuw te zijn, en hoe beperkt zijn blikveld was, maar veel meer dan
circumstantial evidence is er niet. De volksverhalen, de mythen en de
geruchten, zoals die verzameld worden door het Meertens Instituut,
zijn misschien nog wel de beste ingang in de hoofden van de mensen uit
vroeger tijden. Maar het blijft behelpen bij de reconstructie van hun
mentale binnenwereld, en iedereen aanvaardt deze gebrekkigheid.
Sinds de komst van
de fotografie wordt die gebrekkigheid niet meer aanvaard. Een foto is
immers een flard werkelijkheid van vroeger. Hoe meer foto’s je hebt,
hoe meer flarden werkelijkheid, hoe meer greep je kunt krijgen op het
verleden, zo is de ogenschijnlijk logische gedachtegang. Niets blijkt
minder waar, en dat verklaart die irritatie bij veel wetenschappers,
historici, filosofen en semiologen. De betekenis van een foto is
namelijk meestal omgekeerd evenredig met de duidelijkheid van de
afdruk van ‘de werkelijkheid’. Een foto lijkt een onbetwistbaarder
beeld van de werkelijkheid te bieden dan een schilderij, een
historische roman of een wetenschappelijk geschiedenisboek. Het is een
illusie. Een foto beeldt alleen dat af wat je ziet, wat in een tijd
van 1/100ste of 1/500ste van een seconde is
bevroren. De irritatie komt als je er over gaat nadenken, wat bij een
schilderij of een boek niet het geval is. Bij een schilderij, neem De
Aardappeleters van Vincent van Gogh, snapt iedereen: dit is een
interpretatie van Van Gogh. En als het mooi geschilderd is en een
gevoelige snaar raakt, geloof je dat dit schilderij de werkelijkheid
verbeeldt, ja dat dit de werkelijkheid was. Bij een goed geschreven
historische roman of een geschiedwerk snap je ook direct dat het om
een interpretatie gaat, en vervolgens laat je je gewoon meevoeren met
het verhaal, en zorgt je eigen fantasie, je eigen geschiedenis, voor
de vertaling van de woorden in beelden in je hoofd. Het is een
automatisch en aanvaard proces.
Bij foto’s ligt dit
volstrekt anders. Door de duidelijkheid ervan is de botsing met onze
fantasie groot. De werkelijkheid van een foto blijkt veel minder
gemakkelijk in te passen in onze hersenen, in ons geheugen, dan
fictie. Bij fictie, inclusief alles wat in woorden de werkelijkheid
tracht te beschrijven, wordt de vraag naar het werkelijkheidsgehalte
en de betekenis ervan niet voortdurend op de spits gedreven. Het is
een kwestie van geloof en vatbaarheid voor suggestie die tezamen
leiden tot het aanvaarden van een beeld van de werkelijkheid. Soms
denk ik wel eens dat onze hersenen nauwelijks behoefte hebben aan
feiten, die werken eerder verstorend dan ondersteunend bij het zo
ondefineerbare proces van beeldvorming.
En toch zijn foto’s
uitermate aantrekkelijk in de letterlijke zin van het woord. Ze werken
magnetiserend, juist door die belofte een rechtstreeks kijkje te geven
in de werkelijkheid van anderen in het verleden. Als je er verder niet
over nadenkt, is een foto een geweldige kick voor het gevoel, voor
allerlei gevoelens tegelijk. Je voelt het genot van een voyeur, je
voelt de macht terug te kunnen gaan in de tijd en anderen te kunnen
bestuderen, je voelt de bevrediging van het overzichtelijke en de
esthetische bevriezing van een stuk werkelijkheid, je voelt de
bevrediging iets te hebben geleerd. Het lekkerste van het bekijken van
foto’s is dus als je er alleen emotioneel op reageert, dat wil zeggen
de beelden gewoon hun werk laten doen zonder er over na te denken.
Want woorden kunnen beelden oproepen, maar beelden kunnen bijzonder
weinig woorden oproepen. Als je dat wel probeert, beland je bijna
altijd linea recta in een moeras van vaagheid en onduidelijkheid. De
bevrediging slaat dan niet zelden om in woede. Dan wordt de foto, die
flard werkelijkheid, al snel belaagd door duizend en een vragen en
verlangens die je achter laten met een lichte paniek over de werking
van onze beeldvorming over ‘de werkelijkheid’. Zonder tekst en context
raakt een foto alleen ons gevoel, en dat gevoel bezorgt een foto, als
die voldoende treffend is, wel ergens een plaatsje in ons geheugen.
Meestal kleeft zo’n foto zich vast aan bestaande beelden, een enkele
keer verdrijft een foto bestaande beelden, wat soms met pijn gepaard
gaat. Het is een uitermate vaag proces dat zich bij het zien van
foto’s afspeelt.
Wie een foto wil
bestuderen als bron van kennis over het verleden stuit op grote
problemen. De gevleugelde uitspraak ‘Eén foto zegt meer dan
tienduizend woorden’ is helemaal waar, alleen zegt niemand erbij wát
een foto dan zegt. Het is in feite omgekeerd. Om één foto goed te
interpreteren heb je tienduizend toelichtende woorden nodig over die
foto. Wie staan er op, wie heeft de foto gemaakt, wanneer en met welke
camera, en natuurlijk waarom heeft de fotograaf de foto gemaakt en
voor wie? Als het gaat om mensen die poseren voor een foto, moeten we
weten wie ze zijn en waarom ze zo poseerden als ze deden. Bij niet
geposeerde foto’s hebben we genoeg aan kennis over de gefotografeerde
situatie en vooral over de fotograaf zelf. Want elke foto is een
verlengstuk van de persoonlijkheid van de fotograaf. Maar die kennis
is er nauwelijks. Fotografen leggen niet in woorden vast wat ze
voelden toen ze een foto namen, houden geen logboek bij over de plek,
de gefotografeerden, de reden van de foto, de opdrachtgever en de
afzet ervan. Ook de meeste persfotografen niet, die toch qualitate qua
de verantwoordingsplicht hebben te getuigen dat de foto ‘de
werkelijkheid’ vertegenwoordigt. Dat gebeurt zelden. Persfotografen
laten het meestal aan anderen, schrijvende journalisten en historici,
over de context te leveren bij hun visuele visie op de werkelijkheid.
Zonder kennis van
de context past de kijker foto’s geheel naar eigen believen in
zijn/haar hoogst persoonlijke geschiedenis in. Passen ze er niet in,
dan vergeet of verdring je ze, passen ze er niet in maar kun je ze
door de indringendheid ervan niet vergeten, dan moet je op zoek naar
de context om er betekenis aan te geven. Bij foto’s van het heden is
dat laatste meestal wel mogelijk. Dan zijn er andere bronnen genoeg om
een context te achterhalen, de krant, boeken, film, televisie,
ooggetuigen. Bij foto’s uit het verleden moet je al veel meer moeite
doen, dan moet je oude kranten, oude boeken, oude film- en
televisiebeelden, nog levende ooggetuigen opzoeken om te weten te
komen wat je op die foto eigenlijk zag. Fotohistorici maken dit werk
tot hun beroep, maar hier zijn er bizar weinig van, zeker in
Nederland. Veelzeggend in dit verband is het feit dat het tot 2001
heeft moeten duren voor een wetenschapper promoveerde op interpretatie
van oude foto’s, Ellen Tops in haar dissertatie Foto’s met gezag.
Het is een moedige poging om met behulp van de historische context en
de leer van de semiotiek de betekenis van priesterbeelden tussen 1930
en 1990 te duiden. De vergelijking tussen de foto’s van de populaire,
progressieve bisschop W.M. Beckers en de impopulaire, conservatieve
bisschop J.M. Gijsen, maakt duidelijk hoezeer de foto’s het bestaande
beeld van de twee moesten ondersteunen met visuele beelden. Bekkers
werd altijd vriendelijk gefotografeerd, omringd door warme
menselijkheid, Gijsen eenzaam en autoritair. De vraag wat wat heeft
beïnvloed – de foto’s de beeldvorming, de beeldvorming de foto’s of
dat beeld en beeldvorming elkaar hebben versterkt – wordt niet geheel
beantwoord. Dat is ook een heidens karwei. Dit vereist behalve
semiotisch onderzoek een minutieus pershistorisch onderzoek én
onderzoek naar de veranderende perceptie bij de Nederlanders die deze
foto’s onder ogen hebben gekregen. De vraag is of dit over foto’s uit
het verleden überhaupt mogelijk is. Als goed georganiseerde
opiniepeilingen ontbreken hebben we, wederom, niet anders dan eerlijke
dagboeken als bron waarin de schrijvers hun gevoelens bij het zien van
de foto’s onder woorden brengen. Anders moet de historicus eindeloos
veel cirumstantial evidence produceren om een theorie te staven
over de relatie tussen foto en beeldvorming. Het zou mooi zijn als er
meer wetenschappers zouden komen die dit soort werk zouden gaan doen.
Het zou nog mooier zijn als er projecten zouden komen waarin mensen
‘emotioneel gevolgd’ zouden worden bij het zien van actuele beelden.
Nu doen alleen machthebbers en reclamemakers dit, ten behoeve van hun
politieke beleid of het verkopen van producten.
Als het gaat om de
vraag welke beelden belangrijk zijn geweest voor de mensen, hebben we
maar twee mogelijkheden om erachter te komen. De eerste is het zoëven
genoemde uiterst minutieuze historische onderzoek. De twede is de
mensen van nu vragen wat ze destijds van bepaalde beelden zoals foto’s
vonden. Bij deze manier moet de historicus de hele geschiedenis van de
ondervraagde kennen sinds die foto van toen werd gezien, om de
uitspraken te verdisconteren met die persoonlijke geschiedenis. Anders
moet je de mensen op hun woord geloven, en dat is wetenschappelijk
gesproken nauwelijks verantwoord gezien het vage, emotionele en
veranderlijke karakter van de betekenis van foto’s. En ook door de
noodzaak al die andere representaties van het verleden – tv- en
filmbeelden, krant en persoonlijke herinneringen - van het verleden
erin te betrekken.
Als we ons beperken
tot de vraag wat foto’s uit het verleden – in dit geval de twintigste
eeuw - hebben bijgedragen aan ons beeld van ons verleden en de
betekenis die wij er aan hechten, dan moeten we tot een schokkende
conclusie komen. Die conclusie is namelijk dat beelden die als iconen
gelden van de afgelopen eeuw inderdaad als iconen worden gezien,
handige kapstokken om die eeuw in te delen, net zoals jaartallen dat
zijn, niet meer en niet minder. De beelden die mensen, terugkijkend op
die eeuw, voor zichzelf belangrijk vinden, hebben vooral betrekking op
hun eigen leven en dat van hun eigen familie. Ofwel: het familiealbum
is veel belangrijker dan welk ‘album’ ook dat fotografen in opdracht
van zichzelf of in opdracht van commerciële, politieke of educatieve
opdrachtgevers hebben vervaardigd van wat ook in de wereld buiten ons
eigen leven.
Deze conclusie trek
ik op basis van een stapel fotoboeken die sinds 1999 zijn verschenen,
en die ‘het leven’ van toen en nu wilden vastleggen. Deze stapel
boeken valt in twee categorieën uiteen. De eerste categorie fotoboeken
bestaat uit selecties van foto’s van een of meerdere fotografen uit
het verleden die volgens de samenstellers een bepaald beeld van
vroeger moeten geven. De andere categorie bestaat uit fotoboeken met
foto’s die willekeurige burgers zelf hebben uitgekozen om hún beeld
van de twintigste eeuw te geven of hun eigen leven te presenteren.
Elke stapel bevat buitenlandse fotoboeken (Amerikaanse en Britse) en
Nederlandse fotoboeken. Het verschil tussen zogenaamd officiële
iconografie en persoonlijke interpretaties is in de Amerikaanse/Britse
en Nederlandse boeken even groot.
Laten we beginnen
met de Amerikaanse boeken, en wel met het dikste fotoboek dat
waarschijnlijk ooit is uitgegeven: Century van de Brit Bruce
Bernard dat in 1999 verscheen. Het geval bevat 1120 pagina’s, een
kleine duizend foto’s en het weegt 6,7 kilo. Het wil een weerslag zijn
van de ontwikkelingen in de hele wereld, maar ‘vanuit een westers
perspectief’ in foto’s van ‘mainly hard history’. De selectie
was, hoe kan het ook anders, persoonlijk, waarbij Bernard elk gevoel
van nostalgie trachtte te vermijden. Hij vermeed bewust de bekende
historische iconen of symbolen die de diverse naties voor zichzelf
hebben gecreëerd of gannexeerd om de grootsheid van hun land en
geschiedenis ‘te bewijzen’. En ook de prijswinnende foto’s – World
Press Photo, Pulitzer Price – al zijn er enkele van opgenomen. Nee,
hij wilde met ‘krachtige foto’s’ zijn verhaal van de twintigste eeuw
vertellen. Zijn grootste zorg was het aantal gewelddadige of
verontrustende beelden die in de selectie slopen.
Toch koos hij hier voor. ‘Some of the most violent spreads or
combinations are, I believe, the best in the book, but others are a
bit sickening. I would ask the reader’s indulgence in this’.
Hij had gehoopt dat de ziekmakende foto’s van de gruwelijke eeuw in de
jaren tachtig en negentig wel zouden afnemen in aantal, maar het
tegendeel bleek het geval, ‘so messages of hope must still be around
the corner’. Wat was het doel van Bernard met zijn 6,7 kilo foto’s?
Dit: ‘I hope that this book, added strongly by its
historical background information, will provide both nourishment for
thought and a stimulus for the imaginations, and that it will
encourage younger people to despise as wel as hate and fear war and
violence and any kind of exploitation or persecution of man or woman
by woman or man’. Toen mijn dochter van elf het boekwerk met
twee handen optilde, op tafel legde en er doorbladerde, zei zei: ‘het
gaat allemaal over dood en ellende. Bah’. En inderdaad, op het
merendeel van de foto’s wordt er gemarcheerd en gemarteld, zijn
plassen bloed te zien, onthoofde lichamen of gewoon de desastreuze
gevolgen van natuurrampen. De prachtige foto’s van het gewone leven,
de gewone mensen tussen hun alledaagse bezigheden of op de
hoogtepunten van hun leven (geboorte, huwelijk e.d.) of een
overwinning op sportief of cultureel gebied – de kern van het beroemde
fotoboek uit 1955 The Family of Man – ze zijn er wel, maar
lijken meer ter opbeuring van het gemoed van de lezer om verder te
bladeren dan dat deze als de kern van die twintigste eeuw worden
beschouwd. Het geheel is een letterlijk en figuurlijk didactische
mokerslag om bij de lezer/kijker een bloedig beeld van de eeuw in te
hameren.
Bescheidener en
genuanceerder is de aanpak in het fotoboek American Photography: a
Century of Images, van de hand van Robert en Silberman en
fotohistorica Vicki Goldberg, beroemd om haar boek The Power of
Pictures. Zij beperkten zich tot honderd hoofdfoto’s, een voor elk
jaar van de eeuw. En die variëren van de gevestigde artistieke
schatten tot de everyday snapshots om de monumentale
historische gebeurtenissen te verbeelden. Het resultaat is een mooie
mix van thematisch gerangschikt groot en klein. Een voorbeeld: een
paginagrote foto uit 1911 van een fotograaf, met pet en camera op een
loopplank op de hoogste toren van New York, uitkijkend over de
metropool, met daarnaast een foto ter grootte van een postzegel van de
eerste man op de maan bijna zeventig jaar later. Groot en klein:
Buchenwald, atoombom, Vietnam met daartussen foto’s van mode, Elvis
Presley, sex en kunst, en natuurlijk ook de eerstgeborene, het
huwelijk enzovoorts.
Het uitgangspunt
van de samenstellers was niet wat zij zelf vonden dat visueel
representatief is voor de eeuw, maar wat de fotografen representatief
vonden. De fotografie was naast de krant en de film een medium dat de
hele eeuw overbrugde, dat net als die andere media snaren spande in
het collectieve geheugen. ‘Sometimes, when age and
language and culture divide us, the images – of Betty Grable, a man on
the moon, a monk burning to death in Vietnam – are all we share. Other
times, photography furnishes the rituals and identities required of
just about everyone: baby pictures, wedding announcements, passports.
And most often they simply are the environment, in newspapers,
magazines, and books, on billboards and phone booths and in store
windows, in motion on big and small screens. Family photographs remain
our most intimate and at times our only connection to the histories
that shaped our lives’.
Met deze
allerhande-verzameling wil het boek dus niet zozeer een al dan niet
didactische geschiedenis zijn alwel ‘een voorstel’ doen voor ons
persoonlijke en collectieve beeld van de eeuw. Hoe aantrekkelijk dit
voorstel ook is, het blijft een boek dat door kenners van de
fotogeschiedenis is samengesteld.
Een stap verder
gaat daarom het Amerikaanse boek Imagining the Twentieth Century.
Exploring the Odd Passages and Side Doors of our
Collective Memory, geredigeerd door
Charles C. Stewart en Peter Fritsche. Het voorwoord begint
aldus:
‘Met vijf kilometer
per uur, voelde ik me alsof ik vloog’.
‘Alles is nu zoveel
beter’.
‘De oorlog
veranderde mijn hele leven’.
’Toen was er nog
een gevoel van verwachting’.
’Natuurlijk was het
belangrijkste om te trouwen en kinderen te krijgen’.
’Het is altijd
hetzelfde: de rijken worden rijker en de armen worden armer’.
’Ik zal nooit meer
in staat zijn hen te vertrouwen’.
’We hadden zo veel
hoop’.
’Toen ik opgroeide,
schat, hádden we geen technologie’.
Deze introductie
maakt al duidelijk dat de samenstellers de aanpak kozen van de
individuele herinnering van gewone mensen in hun omgeving – studenten,
familieleden, buren – om deze via oral history en het
familie-album weer te geven. Zij waren in die gesprekken namelijk
verrast door het feit dat de geïnterviewde ooggetuigen van de eeuw er
helemaal niet aan terugdachten als een stoet van komende en gaande
wereldleiders, dramatische declaraties, oorlogen en ellende. Wat in
hun herinnering dominant was, was het gevoel van hoogtevrees in het
aanzicht van de mobilisatie van sociale groepen, de uitbreiding van de
technologie, de versoepeling van de staatsmacht, en de bevrijding van
het individu. Daarom kozen Stewart en Fritsche niet voor de
‘officiële’ menselijke vooruitgang of de climaxen van politiek drama,
maar volgden zij de rare weggetjes, zijpaden en verborgen opkamertjes
van de herinnering van de Amerikanen die zij interviewden.
Het is een nuttige
alternatieve aanpak. Immers, bij de overdonderende hoeveelheid
beroemde fotografische symbolen van de mijlpalen van de eeuw, wordt
door velen over het hoofd gezien dat het persoonlijke leven altijd het
belangrijkste is en blijft voor de persoon zelf, hoe indrukwekkend de
gebeurtenissen in de buitenwereld soms ook zijn en hoeveel invloed die
soms ook hebben op het persoonlijke leven en het wereldbeeld. De
samenstellers hebben gelijk: ‘Het fotoalbum is emblematisch voor het
lot van de twintigste eeuw. Het vertelt thet verhaal van de
gewelddadige breuken in privé-levens en van het aanhoudende
recapituleren van de eindeloze veranderingen in persoonlijke termen’.
Het resulaat is een
aardige mengelmoes van het bekende en onbekende, uit alle delen van de
wereld. Een foto van tikdames op kantoor naast een foto van de sofa
van Freud, een foto van een gasmaskeroefening in de Koude Oorlog naast
een foto van een meisje met haar eerste barbiepop, een foto van de
aarde vanaf de maan genomen naast een van een bijna kale man bij de
kapper, enzovoorts.
Een zelfde
verscheidenheid in benadering van ‘het beeld van de twintigste eeuw’
zagen we in Nederland. Er was een explosie van terugblikken op de
twintigste eeuw. De televisie stond bol van de uitzendingen waarin de
atleet van de eeuw, de voetballer van de eeuw, het televisieprogramma
van de eeuw, de uitvinder van de eeuw, de man van de eeuw, de
politicus van de eeuw, de journalist é tuti quanti, van de eeuw werd
gekozen.
Daarnaast was er de
‘merchandising’ van die twintigste eeuw. PTT Post bracht drie
velletjes Decemberzegels op de markt in een doosje met daarin het
Blik op de Eeuw Spel. Historici, zoals Herman Beliën, brachten
boeken uit over de twintigste eeuw. De schrijver Geert Mak schreef een
nieuwe bestseller onder de titel De eeuw van mijn vader.
Tv-programmamakers begonen aan hele series over de twintigste eeuw.
Inclusief cd-roms en de hele multimediale rataplan. In Hoorn was er de
tentoonstelling in het Museum voor de Twintigste Eeuw met foto’s uit
familie-albums over de eeuw die we achter ons hebben gelaten.
Er is dezelfde
grote discrepantie tussen de min of meer officiële beeldvorming van
het kenmerkende van die 100 jaar en de private beeldvorming van
diezelfde 100 jaar. Ook deze beeldvorming in variaties biedt een
antwoord op de vraag wat nu belangrijker is voor onze herinnering: de
door anderen aangeleverde herinneringen of de door ons eigen
fototoestel of ons eigen geheugen aangeleverde herinneringen.
De postzegels die
bij het PTT-spel Blik op de Eeuw werden geleverd – hoogtepunten
van de 20e eeuw - zijn van de grootste, nationalistische
soort: Beurs van Berlage, het kiesrecht voor vrouwen, de Afsluitdijk,
de Bevrijding, de Deltawerken, Willem Drees met zijn
Ouderdomsvoorziening, de autoloze zondag, de Nederlandse ruimtevaart,
het Europees kampioenschap voetbal in 1988. Dit soort foto’s, waarmee
ook de fotoboeken Het aanzien van… sinds de jaren
vijftig en de koopvideo’s met compilaties uit het Polygoon Journaal
sinds de jaren dertig vol staan, zijn zoals we allen weten vooral te
interpreteren als een poging van hogerhand om een bepaald beeld, een
bepaalde identiteit, een bepaalde trots te verstrekken aan het volk.
Daar is op zich niks mee. Fotografische iconen functioneren als
kapstokken om wat herinneringen aan op te hangen, ze zijn als
pictogrammen op het station: daar uitgang, daar loket, daar wc. Ze
leiden gemakkelijk naar het gewenste doel. Met de historische
perceptie van individuele mensen heeft dit alles weinig te maken,
alleen met het, noodzakelijke, collectieve zelfbeeld van een volk.
Er is maar één
poging gedaan om de hele periode van de eeuw in beelden te vatten,
door Jan Blokker in zijn in de Nieuwe Kerk tentoongestelde selectie.
Het aangename ervan was was dat Blokker erbij zei wat zijn leidene
gedachte was, het lot van de arbeider en ‘de gewone man’. Bij andere
fotoprojecten rond de eeuwwisseling die een kleiner deel van de eeuw
wilden belichten was dat niet het geval, zoals bij de serie Holland
zonder haast, met selecties uit het werk van fotografen als Henk
Jonker, Maria Austria, Sem Presser en Ad Windig, gemaakt in de jaren
veertig, vijftig en zestig. De fotoboeken bevatten schitterende,
haarscherpe foto’s, maar nergens wordt duidelijk gemaakt wie deze
selecties hebben gemaakt en waarom. Op de achterflap van een van de
boeken, over Henk Jonkers werk, staat dat Holland zonder haast
‘’geen nostalgisch boek over die ‘goeie oouwe tijd’ is’’. De titel van
de serie suggereert natuurlijk wel nostalgie, en de tekst op de
achterflap van de boeken eveneens. Uit Presser’s foto’s ‘spreekt het
optimisme waarmee de Nederlandse bevolking zich inzette voor het
herstel en de wederopbouw van het land’. Windig’s foto’s gaan over de
tijd van de wederopbouw, ‘de tijd waarin het begrip ‘onthaasting’ nog
niet bestond, kinderen nog gewoon op straat speelden en de dagelijkse
files een nog onbekend fenomeen waren’. Alleen over Maria Austria’s
foto’s van mensen uit die eerste twintig naoorlogse jaren wordt niet
in termen van nostalgie gesproken.
De procedure die
bij Holland zonder haast is toegepast is de traditionele: de fotograaf
legt zijn visie op de werkelijkheid vast. Jaren later, in dit geval
een halve eeuw, kiest iemand anders hier op volstrekt onduidelijke
gronden een aantal uit en zet ze in een boek. Het boek wordt
voorgelegd aan een persoon met gezag, in dit geval schrijvers, die er
hun gedachten en gevoelens bij verwoorden. Het is interpretatie van
een interpretatie. Over de historische context vernemen we niets, over
de afgebeelde personen of situaties evenmin.
Het kan ook anders.
Dat laat het project >Play, a photographic record zien
van fotograaf Carel van Hees. Hij fotografeerde drie jaar lang, tussen
1998 en 2001, jongeren in Rotterdam. Hij deed als documentaire
fotograaf hetzelfde als Windig, Austria, Jonker en Presser een halve
eeuw eerder deden, in zwart-wit foto’s maken en deze afdrukken. Het
originele van het project zit hem in de bijgeleverde cd met fragmenten
van interviews met de geportretteerden, gemaakt door Ingrid Smits,
maaktster van radiodocumentaires. Het resultaat is én-én: een
fotografische visie op anderen van een fotograaf en flarden
autobiografische informatie op de cd. De jongeren worden dus
geportretteerd en portretteren zichzelf, al was het Smits die
uiteindelijk de fragmenten uit de interviews uitkoos. Ook al ontbeert
dit multimediale project ook de context van gegevens over wie de
geportretteerden precies zijn, >Play is het eerste fotoboek dat
sommige van de geportretteerden de gelegenheid geeft iets over
zichzelf te vertellen.
Wat zou er zijn
gebeurd als deze Rotterdamse jongeren zichzelf hadden kunnen
portretteren als henzelf een camera in de hand was gedrukt? Of als de
fotograaf precies had moeten doen wat zij hadden gewild?
Waarschijnlijk was het een familiealbum geworden van het soort dat ook
rond de eeuwwisseling verscheen.
Het verst in de
persoonlijke aanpak van het familie-album om de vorige eeuw in beelden
te vatten verscheen onder de titel Fotoboek van de Eeuw. Het
idee was afkomstig van PCM Landelijke Dagbladen (Trouw, Parool, de
Volkskrant, Algemeen Dagblad en NRC Handelsblad). In
deze kranten verscheen begin 1999 de oproep aan de lezers om
persoonlijke foto’s in te zenden die ‘een duidelijk beeld van het
leven van de Nederlander in de 20e eeuw’ dienden te geven,
‘karakteristiek (moesten zijn) voor de wijze waarop foto’s in deze
eeuw tot stand kwamen’ en ‘een emotionele waarde voor de inzender’
moesten hebben, zoals een opname van familie, vrienden of bekenden.
Dit lieten de lezers zich geen twee keer zeggen. Ruim 70.000 foto’s
weden ingezonden, bijna 500 werden werden geselecteerd voor het boek
en voor de tentoonstelling in het Museum voor de Twintigste Eeuw in
Hoorn.
Het boek is bijna
letterlijk de achterkant van het beeld van de eeuw dat in de
schoolboeken, de overzichtsboeken en andere bombarieboeken te zien is.
De eerste foto, op de colofonbladzijde, spreekt in dit verband
boekdelen: een klein jongetje steekt een lepel eten in zijn mond.
Onderschrift van de inzender, M.C. Pette uit Diemen: ‘1966: Mijn zoon
Joost eet zijn dagelijkse portie yochurt!’ En zo gaat ‘t het hele boek
door, gerangschikt volgens thema’s als dieren, huwelijk, carneval,
wintervakantie, schaatsen, auto’s, voetbal, Pasen, geld, pretparken,
wielrennen, mode, voeding, camping, telecommunicatie, winkeliers,
gezondheid, huishoudelijke apparaten, zomer, uitgaan, gezin, natuur,
dansen, steden, kunst, verjaardagen, Sinterklaas, Kerstmis en Oud en
Nieuw, en nog zo wat alledaagsheid.
Het lijkt hét
familie-album van het Nederlandse volk in de 20e eeuw. Of
niet? Nee dus, hooguit op het eerste gezicht. Het is een
snapshot-album van het alledaagse leven, met die enkele hoogtepunten
van de eerste fiets, de eerste auto, het eerste huwelijk, de eerste
skivakantie, het eerste stukje kunst aan de muur, enzovoorts. Wat
ontbreekt is bijna alles wat fotografisch verwijst naar de grote
gebeurtenissen die de 20e eeuw volgens de nationale
jubilea- en gedenkboeken kenmerken. De foto’s die verwijzen naar de
Tweede Wereldoorlog zijn op de vingers van één hand te tellen. Een
andere foto uit 1939: ‘Het eerste mobilisatie-huwelijk’. Een foto:
‘In de rij voor de tabakswinkel tijdens de Tweede Wereldoorlog’. Een
foto van Canadese veteranen tijdens de veertigjarige herdenking van de
bevrijding op de Dam in Amsterdam, een foto van een pr-landingsactie
van de marine tijdens dezelfde herdenking in 1995 in Scheveningen.
That’s all. Watersnoodramp in 1953? Niet aanwezig in het nationale
familie-album. Allochtonen? Bestaan nog niet in onze collectieve
herinnering (of die van de samenstellers) aan de 20e eeuw.
Armoede? Bestond ook niet in die eeuw. Zeker de periode tot 1950 laat
voornamelijk foto’s zien van de welgestelde burgerij, die het zich kon
veroorloven op skivakantie te gaan. Er was, in het familie-album van
het Nederlandse volk geen verdriet in de twintigste eeuw, op één foto
van een eenzame oma in 1993 na. Er was geen armoede, er was geen
oorlog, er was geen overspel, er waren geen overstromingen, geen
ontslagen, geen verkeersongelukken. Om het flauw en variërend op het
bekende liedje van Kees van Kooten en Wim de Bie te zeggen: in de
twintigste eeuw was geluk heel gewoon.
Hetzelfde beeld
rijst op uit het boek Kijk ons! Een kijkje in het dagelijks leven
van Nederlanders anno 2000 van Ineke Strouken. In het
project dat aan dit boek ten grondslag lag, vroeg de stichting
FotoMonument 2000 de Nederlanders om in het laatste kwartaal van 2000
een dag of een facet uit hun dagelijks leven te fotograferen. Er
kwamen 625 series binnen met naar schatting 6000 foto’s, veelal van
amateurfotografen. Het kenmerkende voor Fotoboek van de eeuw is
ook kenmerkend voor deze impressies van het eigen leven: het
vervelende komt er niet in voor - geen verslaving, geen files, geen
ruzie, geen zorgen – maar ook geen zaken als sex of tv-kijken. Hoe
willen de Nederlanders die van fotograferen houden en dolgraag foto’s
van hun eigen leven afgedrukt willen zien, dat anderen hun leven zien?
Als een leven waarin werk, vrijetijdsbesteding en huiselijkheid
centraal staan. Ook hier is het: ik in het bad, ik met met mijn
moeder, ik met mijn caravan, ik in de moestuin, ik op vergadering
enzovoorts und kein Ende.
Waarschijnlijk zou
geen enkele beroepsfotograaf de foto’s uit Fotoboek van de Eeuw
of Kijk ons! hebben durven presenteren, zo bedroevend, zelfs
deprimerend, zijn deze familiekiekjes in artistiek opzicht. Geen
enkele samensteller van een fotoboek-van-de-eeuw, die de beschikking
heeft over allerlei fotoarchieven, zou meer dan een handvol foto’s uit
deze twee boeken selecteren, en dan waarschijnlijk alleen maar om te
laten zien hoe Nederlanders hun eigen huidige leven of hun eigen
verleden presenteren.
Niettemin bewijzen
al deze fotoboeken wel de grote discrepantie tussen het opgedrongen
beeld van de werkelijkheid in heden en verleden en het beeld dat
mensen voor zichzelf creëren van hun eigen leven. De persoonlijke
herinnering draait, zo veel mag wel duidelijk zijn, om het ik, in de
woorden die Thom Wolfe ooit als motto gaf voor de jaren ’80: Let’s
talk about me, the most fascinating subject on earth. Al
die bekende beelden waarmee de eerstgenoemde boeken vol staan blijken
van ondergeschikt belang voor onze persoonlijke herinnering aan de
vorige eeuw. Hooguit zijn ze belangrijk als de vraag wordt gesteld:
waar zag ik voor het eerst televisie, waar was ik toen Kennedy
vermoord was, waar was ik toen de eerste mens op de maan landde, waar
was ik bij de val van de Muur? Maar voor de rest? De buitenwereld
lijkt, als we af mogen gaan op het Fotoboek van de Eeuw en
Kijk ons!, verdwenen uit onze persoonlijke herinnering.
Dit laatste is
natuurlijk niet waar. Die beroemde beelden bestaan nog wel in ons
geheugen, maar ze zijn niet van levensbelang. Alleen de vastgelegde
bewijzen van het geluk van zichzelf en de naaste omgeving is van
belang. Iedereen weet dat mensen, als hun huis in brand vliegt,
meestal in paniek terugrennen, alleen om het fotoalbum uit de rokende
puinhopen te redden, eerder nog dan dat kistje juwelen.
De 20e
eeuw mag een eeuw van ongekende bloedbaden zijn geweest, een eeuw
waarin de hele aarde op de rand van vernietiging stond, voor de mensen
zelf zijn het andere, persoonlijke herinneringen, waarbij men het
verdriet niet is vergeten, maar slechts het geluk wil tonen aan de
buitenwereld.
Het enige wat die
twee fotoboeken bewijzen is wat de Nederlanders anno 2000 wil
presenteren als hun gelukkigste privé-momenten in het recente of lang
vervlogen verleden. Het verdriet, de frustratie, de woede, de angst,
die velen van hen in werkelijkheid heeft voortgedreven, zeker tijdens
sommige generaties zoals die welke het juk van de katholieke kerk
hebben gevoeld, de bittere tijden van de depressie, de vernedering van
de Bezetting, de bedreiging door de watersnoodramp, of, kleiner, de
vernedering van het ontslag, of de jaloezie dat de buurman wel tv of
auto had en zij niet, die herinneringen kunnen visueel niet of met
veel meer moeite worden weergegeven. In het familie-album staan er
geen foto’s van.
Ofwel, de
twintigste eeuw was in de herinnering van de lezers van de
kwaliteitskranten een eeuw zonder oorlog en ellende, zonder misdaad en
gevangenissen, zonder armoe en drugs en pornografie, een land met
louter autochtonen, blakend van gezondheid, levenslust en klein
huiselijk geluk over de eigen vooruitgang, materieel en relationeel.
Zoekmachine
Wat zeggen al deze
fotoboeken over het huidige historische besef van de 20e
eeuw?
Dat de meeste
mensen de Grote Gebeurtenissen ondergeschikt maken aan hun eigen leven
of deze slechts belangrijk vinden voor zover ze invloed uitoefenden op
hun eigen leven. De zoekmachine die bepaalde beelden uit ons geheugen
moet opdiepen leek anno 2000 het liefst geactiveerd te worden door
prettige stimuli, zoals familiefoto’s. Zoals Imagining the
Twentieth Century en het Fotoboek van de Eeuw aantonen, is
de zoekopdracht bij de meeste mensen ongeveer deze: zoek die momenten
waarop we gelukkig waren, en die waarop er nog meer geluk het huis
werd binnengedragen in de vorm van een bruid, een baby, een tv of een
brommer.
De op school of via
de media verspreide beelden van het verleden zullen, zo moeten we
aannemen, wel in meer of mindere mate bekend zijn. Ze horen bij het
land en zijn geschiedenis, maar meestal niet bij de eigen persoonlijke
geschiedenis. Daar zorgen de familiealbums voor. Dat deze
familiefoto’s net zo veel vertekening opleveren voor het geheugen als
de officiële propaganda-foto’s is evident. Op familiefoto’s schijnt de
zon altijd, lacht de hele familie breeduit, is kortom alleen het geluk
van vroeger vastgelegd, nooit de ellende. De fotoboeken met
familiekiekjes uit de 20e eeuw vormen een welkome
aanvulling op al die boeken met de o zo belangrijke foto’s van de o zo
belangrijke gebeurtenissen die de diepte- en hoogtepunten van de eeuw
symboliseren.
Maar gezien de
grote prioriteit van de foto’s van het eigen leven kan het ook geen
kwaad om in andere fotoboeken de andere, en soms hardere kanten van
die eeuw te laten zien, zoals die door beroepsfotografen is vastgelegd
in al zijn menselijke en onmenselijke facetten. Bloederige fotoboeken
als Century werken hierbij mijns inziens averechts. Mijn favorieten
uit de stapel fotoboeken zijn >Play voor het recente verleden
en American Photography: a century of images voor een overzicht
van de (Amerikaanse) eeuw. >Play omdat dit project een heel
nieuwe, multimediale benadering is om de werkelijkheid te vangen.
American Photography omdat hierin groot en klein naast elkaar
staan, vol verrassende foto’s en last but not least, omringd
door treffende tekst en context. Voor een goed beeld van de eeuw zijn
foto’s fantastisch, maar woorden onontbeerlijk.
Henri Beunders
De boeken:
-Ellen Tops,
Foto’s met gezag. Een semiotisch perspectief op priesterbeelden
1930-1990. Uitgeverij Vantilt, Z.p., 2001.
-Bruce Bernard (ed.), Century. One Hundred Years of Human Progress,
Regression, Suffering and Hope. Phaidon Press, London 1999.
-Vicki Goldberg and Robert Silberman,
America Photography: a Centruy of Images.
Cronicle Books, San Francisco 1999.
-Charles C. Stewart and Peter Fritsche (eds.), Imagining the
Twentieth Century. Exploring the odd passages and side doors of
our collective memory. University of Illinois Press 1997.
-Fotoboek van de
Eeuw. Rainy Day Uitgeverij, Amsterdam 1999.
-Ineke Strouken,
Kijk ons! Een kijkje in het dagelijks leven van Nederlanders anno 2000.
Centrum voor Volkscultuur, Utrecht 2001.
-Holland zonder
haast. Foto’s van Ad Windig. gkf. Uitgeverij Voetnoot, Antwerpen
z.j.
-Holland zonder
haast. Foto’s van Henk Jonker. gkf. Uitgeverij Voetnoot, Antwerpen
z.j.
-Holland zonder
haast. Foto’s van Sam Presser. Gkf. Uitgeverij Voetnoot, Antwerpen
z.j.
-Holland zonder
haast. Foto’s van Maria Austria. Gkf. Uitgeverij Voetnoot,
Antwerpen z.j.
->Play, a
photographic record, door Carel van Hees m.m.v. Ingrid Smits.
Uitgeverij Voetnoot, Antwerpen 2001.
nb recensie voor Tijdschrift voor Mediageschiedenis, lente 2002
|