|
Piet de Rooy heeft
een verfrissend eenvoudig overzicht geschreven van ‘Nederland sinds
1813’. En daarbij, ‘de man kan schrijven’, om het maar eens actueel
uit te drukken. Wat ook verfrissend is, is een nawoord te lezen waarin
de auteur iets over de eigen voorgeschiedenis vertelt: zoon van
gereformeerde onderwijzer die verhuisde van Brabant naar Rotterdam en
PvdA, zoon trok daarna verder naar het nog radicaler Amsterdam om er
geschiedenis te gaan studeren. Daar houdt het nawoord op want toen
kwam de uitgever binnen, en het resultaat is dit boek ‘dat kennelijk
al langer in mijn hoofd zat’. Het is mooi dat het er uit is gekomen.
Het boek is
compact, getuigt van grote belezenheid en De Rooy weet het als een
ware onderwijzerszoon bondig, met de nodige snedige en smakelijke
citaten en typeringen, te vertellen. Hij geeft leuke details, van het
type: de Moerdijkbrug was in 1872 de langste brug van Europa; Colijn
rookte 25 sigaren per dag, moest van de dokter de frisse lucht in en
ging daartoe in 1934 twee weken naar Duitsland waar hij niet de bossen
maar 17 bioscopen om zich te verdiepen in ‘het Nazi-weezen’. Hij geeft
vaak in enkele rake zinnen de kern weer van ideeën en ontwikkelingen,
bijvoorbeeld over de gelijktijdige opkomst der arbeidersbeweging en de
afname van het gebruik van sterke drank: ‘Voor veel mensen was het
leven merkbaar beter aan het worden, zij konden zich idealen gaan
veroorloven’. Hij citeert treffend, ook uit egodocumenten, om de
belangrijkste momenten en ontwikkelingen te verlevendigen, zoals het
eerste gebruik van het woord zuil. Of hij legt de herkomst van
sleutelwoorden zoals de Pacificatie van 1917 uit (van Pacificatie van
Gent, 1576). De Rooy is nog geen Geert Mak, maar de lezer heeft het
boek in luttele uren uit. Wat wil een mens nog meer?
De vraag is wel wie
die mens is. Wetenschapper? De geďnteresseerde leek? De eerstejaars
student? Eerder de laatste twee categorieën dan de eerste zullen veel
profijt hebben van dit boek dat vooral een sociaal-economische en nog
meer een (partij-)politieke geschiedenis is. En dat hoeft geen
verbazing te wekken gezien De Rooy’s decennialange beoefening van deze
twee disciplines binnen de geschiedwetenschap.
Hoe verfrissend
boek en nawoord ook zijn, een persoonlijk nawoord kan ook nadelen
hebben. Want De Rooy vertelt het verhaal van zijn ouders en
grootouders om zijn fascinatie te verklaren: ‘hoe ondergaan mensen in
hun dagelijks leven de grote veranderingen die we aanduiden als ‘de
geschiedenis’? Dat is nu net iets waarover de lezer niet zo heel veel
aan de weet komt. Op enkele plaatsen komt het persoonlijke leven wel
aan de orde, zoals bij het Kinderwetje van Van Houten, of als bijna
lyrisch over de verbreiding van de fiets als vervoermiddel wordt
verteld. Maar sociale geschiedenis van het dagelijks leven is het boek
toch niet echt. De lezer krijgt meer feiten en cijfers over
verzuiling, vakbonden en verkiezingsuitslagen, werkloosheid en bnp te
horen dan over het sociale of culturele, laat staan seksuele of
geestelijke, leven van die rivaliserende republikeinen.
Als we de lat wat
hoger leggen, zijn er wel kanttekeningen te plaatsen. Bij alle vaak
lucide kernachtigheid fietst de auteur soms wel al te soepel om
belangrijke vragen heen. Als hij had gezegd: hier volgt een
sociaal-politieke geschiedenis, was er nauwelijks kritiek mogelijk
geweest. Maar zowel de titel als de ultrakorte beschrijving van de
idee van Nederland als staat en natie roepen bijna automatisch vragen
op.
‘Republiek der
rivaliteiten’ allitereert alleraardigst, maar een korte beschouwing
erover had niet misstaan. De monarchie komt, dat is de uitleg
wellicht, in het boek spaarzaam voor als blijkbaar niet erg
belangrijk, evenmin als andere centraliserende of nationaliserende
‘momenten van het staatsleven’. Die waren er volgens De Rooy niet of
nauwelijks.
Hij noemt Nederland
daarom geen staatsnatie maar een cultuurnatie, vooral bepaald ‘door de
gestage ontwikkeling van onderlinge omgangsvormen en de groei van een
meer homogene samenleving’. Het kenmerk van die samenleving: ‘eenheid
in verdeeldheid. Dit leidde vooral tot erg veel vergaderen, gevolgd
door traag of niet genomen besluiten, te meer daar een duidelijk
machtscentrum ontbrak: er was geen vorst wiens wil wet was’. Maar
welke rivaliteiten elkaar ook opvolgden – stedelijke en regionale,
religieuze en sociaal-politieke – ‘in het algemeen werd vastgehouden
aan de gedachte dat er pragmatische compromissen gesloten moesten
worden. In die zin was Nederland geen land van verbitterde twisten,
maar van aanhoudende rivaliteiten’.
Wie zal
tegenspreken dat dit de praktijk was. Edoch: als een duidelijk
machtscentrum ontbrak en er ook geen overkoepelend nationaal idee was,
waar kwam dan die onuitroeibare drang tot compromisvorming vandaan?
Sproot die alleen voort uit de aangevoerde strijd tegen het water? En
waarom scheidden de tweederangsburgers, de katholieken in het toch
tamelijk droge zuiden, zich niet gewoon af, of sloten zij zich niet
aan bij Belgie? Ook kan men zich afvragen waarom – als cultuur,
omgangsvormen en samenleving de sleutelwoorden zijn – de aanpak dan zo
sterk historisch-politicologisch is.
Hoe mooi het uitgangspunt van de rivaliteiten ook is, soms smaken de
fraaie beschrijvingen van de diverse gekozen tijdvakken toch naar
meer, vooral over de sociaal-culturele ontwikkelingen. Zeker binnen
die ene neutrale zuil (zeg maar Telegraaf, Avro), in de
geschiedwetenschap een sterk verwaarloosd terrein. Deze komt ook bij
De Rooy, zeer sterk thuis in de sociaal-democratische zuil, niet
helemaal uit de verf. Dit wreekt zich soms, bijvoorbeeld als hij
Nederland in de jaren twintig zonder veel uitleg ‘een van de modernste
landen van Europa’ noemt. Of als hij de tijd sinds 1950 bespreekt.
In afgelopen halve
eeuw wordt de titel het lastigst. En wordt het buitenland als
(machts-)factor een beetje gemist. Er mocht dan wel geen sterk
machtscentrum zijn, het buitenland vormde wel een sterke macht. Leidde
de angst daarvoor niet tot de Pacificatie van 1917? En leidde de
Bezetting niet tot die scherpe breuken erna? Was er sindsdien nog
wezenlijke groepsrivaliteit in het land dat bijna unisono ‘modern’,
pro-Amerikaans en pro-verzorgingsstaat wilde zijn, politiek tot uiting
komend in rooms-rode coalitie eerst en ‘poldermodel’ later, even
onderbroken door die rivaliserende jaren-Den Uyl? Naast de invloed van
de neutrale zuil had de buitenlands-politieke dimensie, zeker de
‘amerikanisering’ wel wat meer aandacht kunnen krijgen.
De naoorlogse
ontwikkelingen – ontkerkelijking, ontzuiling, het individuelere,
vrijere levensgevoel op weg naar een natie van gelijke burgers - past
niet helemaal in de opzet van de ‘republiek van rivaliteiten’ tussen
georganiseerde groepen. Het is een duidelijke en legitieme keuze, en
deze heeft vele voordelen, zoals de bondigheid en overzichtelijkheid.
De keuze leidt er wel toe dat de laatste zin van het boek – ‘De oude
rivaliteiten zijn in tal van musea bijgezet, aan de nieuwe wordt
gewerkt’- bijna als een smeekbede klinkt. ‘Republiek der rivaliteiten’
heeft dus een zekere beperking in zich voor de naoorlogse periode, die
daardoor juist wel de beschrijving wordt van de cultuurnatie die
Nederland is (geworden). Daar staat meer dan genoeg tegenover. Want in
veel opzichten is het een klein juweeltje van een ‘leesboek’ over
Nederland sinds 1813..
Henri Beunders
|