|
Publiekelijk huilen raakte in de mode in
de jaren negentig. Het werd bij bepaalde gelegenheden een gewoonte,
soms zelfs bijna tot een plicht. De behoefte om te huilen op
televisie, kijkend naar tv of bij een evenement buitenshuis, was alom
aanwezig. Bij de hoger opgeleiden. Bij ‘de
gewone man’. En bij ‘de sociaal zwakkeren’ die volgens de
critici van de ‘emotie-tv’ zich bij voorkeur lieten strikken om de
tranen de vrije loop te laten in lief-en-leedprogramma’s als Oprah,
Catherine, Spoorloos, All You Need is Love en Love Letters
om er slechts een handvol te noemen.
En van hoog tot laag huilden mensen bij
de beelden van de revoluties in Oost-Berlijn
en Praag, bij die van vluchtelingen en hongerlijders ver weg, om de
dood van Diana, om de dood van een babyolifantje in de
dierentuin van Assen of bij het zien van de
trouwplechtigheden van Oranje-prinsen. En niet te
vergeten bij zo vele sportfestijnen waarin het Nederlandse elftal de
centrale rol speelde. Politici, tv-bekendheden, sporters deden net zo
hard mee: Hanja Maij-Weggen, Henny Huisman, Frank de Boer, Willem van
Hanegem. The Crying Dutchman leek geboren.
Het fenomeen van het publiekelijk huilen
op tv beperkte zich evenwel niet tot Nederland. Ook elders huilden
mensen op tv: gewone mensen, sterren en politici. Oud-bondskanselier
Helmut Kohl pinkte een traan weg bij de woorden die president Clinton
in de Ridderzaal sprak over Kohls ervaringen in de Tweede
Wereldoorlog. Clinton en Kohls opvolger Gerhard Schröder huilden bij
het aanhoren van de verhalen van vluchtelingen
uit Kosovo.
Oprah Winfrey bekende huilend dat ze in haar jeugd
seksueel was misbruikt en als twintiger crack had
gebruikt. Michael Jackson bekende bij dezelfde Oprah snikkend dat zijn
vader hem ooit sloeg en dat hij zijn huid niet met opzet in de bleek
had gezet om blanker te worden, maar dat hij aan een huidziekte
lijdt.
Steven Spielberg vertelde op tv hoezeer hij was getreiterd als joods
jongetje, dat hij in die tijd bij Bambi ‘tranen met tuiten’ had
gehuild en dat hij dat nog steeds deed, zoals bij
de opnames van Schindler’s List: ‘Ik liep regelmatig weg omdat
ik m’n tranen niet kon bedwingen.’
Youp van ’t Hek kondigde in 1999 met gebroken stem en vochtige ogen
aan dat zijn oudejaarsconference op tv niet kon doorgaan.
En ook andere professionals in het
publieke optreden zoals tv-journalisten werden
emotioneler, bij het juichen maar ook bij het treuren. In België
vielen in 1996 tijdens de begrafenis van twee van de slachtoffers van
de verdachte meisjesmoordenaar Marc Dutroux cameralieden huilend in de
armen van de vader van een van hen, Paul Marchal. Nieuwslezers
brachten tijdens die uitzending
met ontroerde stem de condoléances over van de hele redactie.
Omgekeerd werd sportverslaggever Mart Smeets geprezen omdat hij zo
mooi kon uitroepen: ‘Wat een schitterende emotie!’
De twintigste eeuw eindigde in een
emotionele anticlimax. Na alle
waarschuwingen over stroomstoringen, vliegtuigrampen, waterproblemen
en nog zo wat ongemakken, bleef de verwachte opwinding over deze toch
tamelijk unieke millennium-wende uit. De mensen stroomden niet massaal
de Concordes in om de wereld rond te vliegen en acht keer de
millenniumwende te vieren met acht keer een fles champagne van
een goed merk. De partytenten bleven leeg, de
mensen bleven thuis bij tv en haard. Een enkeling liet het bad
vollopen voor het geval dat. De meeste mensen wilden bij de mensen
zijn die hun het meest dierbaar waren, in kleine
kring dus, gewoon met oliebollen en Youp van ’t Hek (toch) op de buis.
En daarna nog wat vuurwerk. Zoals altijd. Kleiner had het millennium
eigenlijk niet kunnen eindigen. Speelde angst een rol bij het stille
besluit eerst maar eens af te wachten tot dat nieuwe millennium op
veilige en rustige manier begonnen zou zijn? Als dit zo is, was het
niet ten onrechte.
De eenentwintigste eeuw begon met een
aaneenschakeling van rampen: de vuurwerkramp in Enschede
in juni 2000, de cafébrand in Volendam op 1
januari 2001 en de maanden durende MKZ-crisis in diverse delen van
Nederland en het buitenland. Na die stille
millenniumwisseling werd in deze rampen duidelijk dat de
emotiecultuur in een nog hogere versnelling gezet kon worden. Uit
onderzoek onder 1.800 Nederlanders naar de reactie op de ramp in
Volendam bleek dat bijna een kwart van de vrouwen boven de vijftig bij
het zien van de tv-beelden in tranen was geraakt.
Jongere vrouwen huilden minder, mannen veel minder.
De paukenslag op deze ontwikkeling naar
de emotionele samenleving werd op 11 september 2001 gegeven. Door de
terreuraanslagen in de Verenigde Staten op de
Twin Towers in New York en het Pentagon in Washington raakte het hele
Westen van slag. In Amerika zelf kon president George W. Bush tijdens
zijn tv-redes zijn emoties nauwelijks bedwingen. Ook bij andere
regeringsleiders en staatshoofden in het Westen stonden de emoties op
het gezicht te lezen en waren ze te horen in hun stem. Bij
de herdenkingsdienst in de St. Paul’s
Cathedral in Londen toonde zelfs koningin Elisabeth, uiterlijk altijd
het toonbeeld van koelheid, haar emoties. Zij zong niet alleen voor
het eerst in haar 75-jarige leven het volkslied van een vreemde natie,
maar tijdens de eerste akkoorden van de
Star Spangled Banner prikten de tranen in haar ogen en beet ze op
haar lippen. Het was een zeldzame glimp van publieke emotie toen zij
een traan wegveegde.
Nederland was nog meer van slag dan
andere landen. Gaf president Bush al na enige dagen het devies
aan zijn landgenoten ‘back to normal’ te gaan om de terroristen niet
ook nog de vreugde van een ingestorte economie te geven, in Nederland
bleef de grootste terreuraanslag uit de geschiedenis als een schaduw
over het dagelijkse leven hangen. Bijna twee weken lang was het
land in rouw. Bloemen werden gelegd, showprogramma’s op televisie
werden geschrapt, vlaggen werden halfstok
gehangen, voetballers droegen een rouwband, de condoléanceregisters op
internet stroomden vol. In het hele land werd niet een
of twee, maar drie minuten stilte in acht genomen. Op prinsjesdag
stopte de Gouden Koets met de koningin vijftien seconden voor de
Amerikaanse ambassade. De volgende dag wilde
de Tweede Kamer uit piëteit niet echt debatteren over de nieuwe
begroting. Bijna de helft van de ondervraagden
geloofde in de eerste week na de aanslagen dat een Derde Wereldoorlog
ophanden was.
In deze sfeer van paniek, angst en
medelijden was er in Nederland volgens sommige
commentatoren ‘geen maat aan rouw en verdriet’ meer. ‘Wij
Nederlanders moeten de Amerikanen naar de kroon steken in geween en
geknars,’ aldus tv-recensent Maarten Huygen, ‘Nederland als kampioen
emotie in de wereld’.
Columnist Pieter Hillhorst sprak van een ‘piëteitsvirus’.
De directeur van de
hulporganisatie Stichting Korrelatie, D. Huijbregts, zei: ‘Bij ons
bestaat de aanvechting een ramp niet kleiner maar groter te maken. Een
cultureel fenomeen dat de laatste jaren steeds sterker wordt. Je ziet
ook dat mensen sneller gekwetst raken door anderen die daar niet in
meegaan.’
Dat was zo. Commentatoren die op tv relativerende kanttekeningen
plaatsten werden cynisch en gevoelloos
genoemd, zoals historicus Maarten van Rossem. ‘Men
maakt zich boos op mij. Ik krijg haat te-mailtjes. Je schijnt eerst je
emotie- brevet te moeten halen voor je iets kritisch
mag zeggen.’
Eender en anders
De elfde september
2001 maakte het ook voor al degenen die hieraan nog twijfelden in één
klap duidelijk: emoties drijven de mens. Dat is het uitgangspunt van
deze studie over de emotionalisering van de Nederlandse samenleving in
de afgelopen decennia. De zichtbare veranderingen zijn zo groot dat we
kunnen zeggen dat er een emotionele, zelfs zenuwachtige maar ook
nostalgische samenleving is ontstaan. In 1999 werd Willem Elsschot
samen met die andere dichter van de somberheid en melancholie, J.C.
Bloem, uitgeroepen tot de geliefdste dichter uit het
Nederlandse taalgebied. De lezers van Het Parool riepen het
lied van Wim Sonneveld, Het Dorp, uit tot beste
Nederlandstalige cover van de eeuw.
Rond 2000 was nostalgie, onderbroken
door uitbarstingen van euforie en angst, het dominante levensgevoel in
Nederland. Hoe is dit te verklaren? Waarom
werd de drang om collectief uitdrukking te geven aan gevoelens van
angst en rouw, verdriet en heimwee in Nederland zo sterk, en volgens
sommigen sterker dan elders? Op die vraag wil dit boek proberen een
antwoord te geven. We zullen dit doen door de
ontwikkelingen te beschrijven in de publieke reacties op
de belangrijke zaken van het leven die voor de meeste publieke tranen
zorgden: seksualiteit, dood en geweld. Deze ontwikkelingen zijn samen
te vatten onder twee noemers: (1) de drang naar autonomie en
onaantastbaarheid en (2) de schrik en ontnuchtering over het verlies
van de illusies over de vreedzame aard van de mens en de
maakbaarheid van de samenleving. Ze vormen de zijden van dezelfde
munt. Tezamen leidden de ontwikkelingen in de jaren negentig tot
uitbarstingen van woede en verdriet en tot die massale nostalgie, dat
mechanisme om grote, soms onverhoopte, veranderingen het hoofd te
bieden.
Collectieve uitbarstingen van emoties
zijn sinds de val van de Muur in 1989 steeds
frequenter geworden in Nederland. We kunnen de vraag waarom dit zo is
op twee manieren proberen te beantwoorden. De eerste is de
verklaringen in te bedden in de ontwikkelingen
in de recente geschiedenis in heel het Westen. Meer dan ooit is de
Nederlandse maatschappij onderdeel van de westerse/Amerikaanse wereld
en meer dan ooit wordt Nederland beïnvloed door politieke, economische
en culturele krachten die overal in het Westen zichtbaar zijn. Elke
moderne maatschappij ondervindt de gevolgen van de technologische
revolutie en de globalisering van de nationale economie, en elke
maatschappij is een mediamaatschappij geworden.
De tweede verklaring voor het ontstaan
van de emotiecultuur is dat deze een blijkbaar noodzakelijk mentaal
aanpassingsmechanisme vormt voor de
nieuwe en hardere omgeving waarin we terecht zijn gekomen. Als
Nederland op sommige momenten - we hebben het hier niet over het
gemiddelde temperament - emotioneler is
geworden dan de omringende landen – een stelling waarvoor vergelijkend
onderzoek ontbreekt – kan dat het gevolg zijn van maatschappelijke
veranderingen die hier ingrijpender kunnen zijn geweest dan
elders of een gevolg van de ontnuchtering over de teloorgang van
gekoesterde ideeën en idealen die hier misschien groter is geweest dan
elders. Nederland is dus eender en anders, ook in de
ontwikkeling van emotiehuishouding.
In zijn gedicht Het Huwelijk, dat
in 1999 werd uitgeroepen tot het bekendste gedicht van de
eeuw, dichtte Elsschot ‘Maar doodslaan deed hij niet,
want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische
bezwaren’. Hij schreef het in 1932 toen de
vaderlandse volksaard door Nederlanders en buitenlanders werd
getypeerd als ‘burgerlijk en beheerst’. Die typering bleef tot
ver in de jaren zestig de standaardomschrijving. Volgens sommige
historici, zoals J.C.H. Blom, zijn deze woorden ook na de culturele
revolutie van de jaren zestig geldig gebleven.
Dit mag op bepaalde, zelfs wezenlijke punten zo zijn – de gematigdheid
in de politiek en in de arbeidsverhoudingen – de meeste mensen
zien toch vooral in de eerste plaats de enorme zichtbare veranderingen
sinds de jaren vijftig. Veel buitenlanders, maar zij niet alleen,
vroegen zich vanaf de jaren zeventig af wat er was gebeurd met dat
propere, aangeharkte, fatsoenlijke maar ook wat saaie Nederland. Zij
zagen een heel ander Nederland, een land dat inmiddels werd gekenmerkt
door een wel zeer grote tolerantie: gelegaliseerde abortus in de
kliniek, pornografie in de winkels, drugs in de coffeshops,
euthanasie in het ziekenhuis of thuis, Gay Parades door de grachten,
porno op televisie, zwerfvuil op straat.
De Nederlandse afwijking van het
‘algemeen menselijk patroon’ zoals we dat globaal in heel
het Westen zien, bestaat volgens mij hierin dat de
Nederlandse samenleving in de twintigste eeuw langer ‘burgerlijk en
beheerst’ bleef dan andere landen, maar sinds circa
1960 op sommige punten sneller dan elders een omslag liet zien naar
vrije discussie, informeler gedrag en publiekelijk geuite emoties over
maatschappelijke verschijnselen en zeer persoonlijke ervaringen.
Televisie,
emoties en de zintuigen
Over emoties in
het algemeen worden al meer dan een eeuw de heftigste debat ten
gevoerd. Zijn emoties een biologisch gegeven? Zo ja, zijn emoties dan
een rudimentair overblijfsel uit de evolutie die de rede af en toe nog
verstoren? Hebben ze nog steeds een duidelijke functie die
met fysieke overleving te maken heeft? Of zijn emoties helemaal niet
‘natuurlijk’ maar sociaal-psychologische en culturele constructies?
Zonder verder op deze theorieën in te
gaan kiezen we als uitgangspunt dat emoties de mens
drijven, en de geschiedenis ook. Maar de geschiedenis drijft op haar
beurt de emoties in bepaalde uitingsvormen. Emoties zijn plastisch en
dynamisch, en naar inhoud en uitdrukkingsvorm historisch en cultureel
bepaald. De dwang die van de sociale omgeving en de
maatschappelijke omstandigheden uitgaat als het gaat om hoe men
emotioneel dient te reageren op bepaalde situaties is groot, ook in de
afgelopen periode van anything goes. De primaire emoties mogen
dan universeel zijn, in de publieke uiting ervan domineert de
invloed van de maatschappelijke conventies. En die veranderen naar
plaats en tijd.
Over het waarom en het hoe van één
aspect van de emoties, het huilen, zijn wetenschappers het nog veel
minder eens dan over de functies en werking van de emoties zelf.
Overzichtswerken over ‘de geschiedenis van het huilen’ zijn een
ratjetoe van gegevens die tezamen tot geen andere conclusie leiden dan
dat er geen rode draad in te vinden is.
Min of meer staat vast dat baby’s vanaf de
geboorte schreeuwen maar pas na een paar maanden tranen beginnen te
plengen. Daarnaast is er een curve in het huilen waar te nemen die een
dal kent vlak voor de pubertijd en op hogere leeftijd weer stijgt.
Verder kunnen we over huilen niets categorisch zeggen. Daarvoor is
huilen te sterk aan het individu, aan de
directe sociale omgeving en het tijdsgewricht gebonden.
De een huilt als iets groter is dan
hijzelf, bij een ramp, of als iets volmaakt
lijkt. Een ander huilt om agressie bij anderen te remmen. Weer een
ander huilt om zichzelf, en zijn of haar eigen verdriet. Anderen
daarentegen mogen graag huilen over het leed of geluk van
anderen, wat niet uitsluit dat ze indirect ook om zichzelf huilen. En
sommigen reserveren hun tranen voor al dan niet bewust opgewekte
situaties van emotie of sentimentaliteit, een
sportwedstrijd, een film, een opera, of andere gelegenheden die zich
er zonder schadelijke consequenties voor lenen. En sommige mensen
huilen nooit. Dat is misschien ongezond wegens de vermeende louterende
werking van tranen, doch deze ‘ongezonde’ levenswijze weerhoudt velen
van hen er niet van zeer oud te worden.
De vraag naar de echtheid of
gespeeldheid van publiekelijk geuite tranen is
belangrijk. Maar in deze beschrijvende studie naar de emotionalisering
van de samenleving is die vraag niet belangrijker dan het feit dát die
emotionalisering een zichtbare karakteristiek is
geworden van de samenleving. Waar het regelrechte
toneelspel overgaat in ‘niet-authentieke’ (want kitscherige) emoties
en vanaf welk punt we pas kunnen spreken van ‘echte emoties’ is minder
gemakkelijk aan te geven dan de veelal negatieve perscommentaren over
‘traan-tv’ vaak suggereren. Dat redacties van tv-talkshows gasten soms
aanmoedigen ‘maar flink te huilen’, dat is bekend. Dat de gasten bij
‘bekentenissenshows’ hun emotionele bekentenissen soms voorlezen van
de autocue, ook dat is bekend. Filmsterren doen dit eveneens.
Hollywood-acteur Tom Hanks hield het niet droog bij het in
ontvangst nemen van een Oscar in 1994 voor
zijn rol in de aidsfilm Philadelphia. Minder bekend is dat hij
zijn emotionele dankwoord voorlas van de autocue.
Dit soort neptranen zijn een beproefd procédé geworden op sommige
momenten waarbij het politiek correct is
om te huilen.
De grens is inmiddels al even moeilijk
te trekken tussen op de persoonlijke emotie van anderen gebaseerde
documentaires van gerenommeerde tv-makers als
Frederick Wiseman, Wim Kayzer en Hans Keller, en de programma’s van
jonge tv-makers die steeds vaker de emoties van hun eigen familieleden
en ook van zichzelf tot hoofdonderwerp van hun film maken.
Het verschil met de op persoonlijke emotie gebaseerde shows als Dit
is uw leven of Love Letters is verrassend klein geworden.
Linda de Mol, geen onpartijdige bron, zei eens over het
effect van haar Traumhochzeit in Duitsland: ‘Je merkt elke keer
weer dat dit spel voor de deelnemers een
ingrijpende ervaring is, iets waar zij hun verdere leven op
terugkijken. Ook voor de toeschouwers op het podium is het een
belevenis, hun reacties geven aan dat er naar een programma als dit
werd gesmacht.’
Het verschil tussen authentiek en kitsch is steeds meer een
kwestie van smaak geworden.
Wellicht is het mede door het gebrek aan
overeenstemming over de aard van
emoties dat in de publieke opinie, de pers en in de politiek
oprispingen van publieke emoties keer op keer zo veel aandacht
krijgen. Men verbaast zich dan over de heisa, de hypes of regelrechte
hysterie waar men vooral anderen gevoelig voor acht.
De politiek raakt door aanvallen van publieke emotie niet zelden van
slag, soms zelfs in paniek en reageert dan dienovereenkomstig.
Zowel perscommentatoren, wetenschappers
als politici wijzen doorgaans de media, of meer in het
algemeen de vermaaksindustrie, aan als de kwade
genius achter deze emotionalisering van de samenleving. Hoe meer
emotie, hoe meer sensatie, hoe meer lezers, hoe meer kijkers, hoe meer
luisteraars, des te meer geld gaat er in de kassa, zo is
de gedachtegang. Als hoofdschuldige wordt meestal de televisie
aangewezen, met name de emotie-tv en reality-tv. Deze tv-vormen zijn
niet nieuw. De boulevardpers ging de televisie erin voor. En het
live-karakter van televisie is het wezen van het medium, het was tot
eind jaren vijftig wegens het ontbreken
van opnameapparatuur ook de enige mogelijkheid: alleen vertoonde film
of filmfragmenten waren niet live. Nieuw is de hoeveelheid
en het vaak videoclip-achtige karakter van de
‘gebeurtenissen-televisie’ die gekenmerkt wordt door personalisering,
dramatisering en stereotypering. Door de toename van het aantal
zenders en de komst van commerciële televisie is het bovendien
mogelijk om bijna permanent emotionerende tv-programma’s te
bekijken. Dat is ook nieuw.
De komst, eind jaren tachtig, van
emotie-tv en reality-tv leidde tot veel debatten over het morele
gehalte ervan. Niet minder belangrijk is de vraag wat
er zintuiglijk en emotioneel met de kijker gebeurt. Deze nieuwe vorm
van televisie richt opnieuw aandacht op de oude theorieën over de
scheiding tussen lichaam en geest, maar op een
manier die de oude filosofen niet hadden kunnen vermoeden. De kern van
het probleem is deze. De modernste inzichten in de werking van de
emoties en de hersenen, zoals van neurobioloog Arthur Damasio, wijzen
erop dat die scheiding tussen lichaam en geest veel minder groot is
dan werd vermoed, of zelfs afwezig is. Wat gebeurt er dan met lichaam
en geest bij het zien van schokkende of dramatische tv-beelden? Deze
vraag is nog nauwelijks onderzocht. De meeste onderzoeken en meningen
over televisie richten zich op de sociale en culturele effecten ervan.
En dat is ook wel begrijpelijk.
De moderne massamedia spelen immers een
overheersende rol in het leven van de
huidige mens. Het gros van de bevolking heeft het hele multimediale
assortiment wel in huis: televisie, radio, videorecorder,
computer/internet, cd-speler, spelcomputers. De tijd die mensen,
vooral kinderen en jongeren, dagelijks hieraan besteden, neemt alleen
maar toe. Amerikaans onderzoek uit 2000 wees uit dat
kinderen 6,5 uur per dag ermee bezig zijn, wat een toename betekende
van ruim twee uur vergeleken met 1999.
Deze toename is vooral toe te schrijven aan internet en
videogames, actieve bezigheden vergeleken bij het kijken
naar televisie dat in aantal uren iets lijkt af te nemen.
Ondanks deze lichte
afname is de vraag wat tv-beelden met de passieve kijker doen
belangrijker dan ooit. De eigen ervaringen met de wereld mogen door
sociale mobiliteit en toerisme drastisch zijn toegenomen in de
afgelopen halve eeuw, de ervaringen met die wereld die we ontlenen aan
de media zijn dat in nog veel sterkere mate.
Dat de media een effect hebben op ons besef van de werkelijkheid ligt
voor de hand, al is nog nooit echt aangetoond in welke mate en op
welke manier dit geschiedt. We geloven wel dat er een werkelijkheid is
waaraan we onze eigen, door onszelf geconstrueerde werkelijkheid
ontlenen, maar hoe die werkelijkheid buiten ons
directe gezichtsveld eruitziet kunnen we niet met
zekerheid weten.
We beseffen dat er een objectieve
sociale realiteit is die ook buiten ons bestaat en waarmee we als
individu worden geconfronteerd als we onze
voordeur achter ons dichtslaan. Er is een symbolische realiteit die de
vertaling is van de objectieve realiteit in kunst, literatuur en
media. En er is de subjectieve sociale realiteit waarin de individuele
werkelijkheidsvoorstellingen en -ervaringen zijn gebundeld die mensen
aan de objectieve wereld en hun symbolische
representaties ontlenen.
Maar welke effecten hebben emotionele tv-beelden op de
werkelijkheidservaring van de kijker? En welke effecten hebben deze in
meer fysieke zin?
Al decennia is het een hoeksteen van de
meeste mediatheorieën dat de emotionele inhoud van mediaboodschappen
langer en duidelijker in de herinnering blijft dan de feitelijke
informatie die erbij gegeven wordt. De ontwikkeling naar de
personalisering, dramatisering en stereotypering in tv-programma’s die
hiervan een gevolg was, is uitvoerig
beschreven, en in algemene zin gehekeld, door schrijvers als Jürgen
Habermas, Richard Sennett en Neil Postman. Ze wezen
erop dat het praten over cultuur is veranderd in het consumeren van
cultuur. Ze wezen erop dat de wereld die
de massamedia toont de trekken van een ‘secundaire intimiteit’ heeft
aangenomen. En ze lieten zien dat hiervoor niet
alleen de programmamakers maar ook belanghebbenden, als politici en
fabrikanten, verantwoordelijk zijn. Door de aandacht van de kijker
naar zijn motieven en gevoelsleven te leiden, leidt de politicus hen
er vanaf om hem aan zijn daden te meten.
Volgens Neil Postman worden de emoties
als snelle producten ter consumptie aangeboden, volgens
het ‘En nu...’-principe: ‘Geen moord zo wreed, geen aardbeving zo
verwoestend, geen politieke fout zo kostbaar (...) dat zij
door de nieuwslezer niet met zijn ‘En nu...’ uit ons bewustzijn gewist
kunnen worden. De nieuwslezer wil daarmee zeggen, dat de kijker nu wel
lang genoeg over het vorige thema heeft nagedacht
(...) dat zij zich in dit thema niet moeten
verliezen (...) en dat zij hun aandacht nu aan een ander brokstukje
nieuws moeten geven of aan een reclame.’
Wat Daniel Boorstin al in 1962 in The Image had geconcludeerd,
herhaalde Sennett in 1983 in zijn The Fall of
Public Man, namelijk dat de maatschappelijke verhouding tussen
openbaarheid en privéwereld de sociale controleregels voor gevoelens
bepaalt. Daarnaast stelt Sennett dat televisie de tendens versterkt om
geloofwaardigheid als enig criterium voor de
waarheid te nemen: ‘De maatschappij wordt heden alleen in
psychologische categorieën gemeten’.
De samenleving van de jaren negentig is
door de Duitse socioloog Gerhard Schulze als ‘belevenismaatschappij’
betiteld. Deze kenmerkt zich door het verlangen naar directe
bevrediging van alle behoeftes. En de belangrijkste
behoefte is de belevenis, die prikkeling van het directe, de kick van
het buitengewone, de lust in het risico: ‘Traditioneel betekent
spanning in de literatuur of het theater een langzaam zich
opbouwende gevoelstoestand van het deelnemen
aan een proces. Deze dramaturgie van opbouw, hoogtepunt en afloop werd
in het moderne spanningsschema door een dramaturgie van het aan- en
uitschakelen verdrongen. Men zet zich onder stroom, laat zich door
elkaar schudden en houdt ermee op als het geen lol meer verschaft.’
Hoe terecht alle cultuurkritiek van
genoemde schrijvers soms ook is, hier gaat het om de
vraag naar de directe reactie van de kijkers en de vraag naar de
besmettelijkheid van zijn of haar reactie op anderen. Want
media-emoties werken anders dan emoties in het dagelijkse leven. Daar
worden emoties nooit geïsoleerd maar altijd in samenhang met de
context en de eigen of geschiedenis beleefd. Bij live-beelden en
opgenomen en gemonteerde reality-tv wordt de werkelijkheid primair in
de vorm van emotionele gebeurtenissen waargenomen en verwerkt.
In de verklaring voor de
emotionalisering van de samenleving spelen niet alleen deze nieuwe
vormen van televisie een rol, maar ook de technische vernieuwingen. De
komst van de afstandsbediening heeft het mogelijk gemaakt bijna
onafgebroken alleen die beelden te zien die men het liefste ziet.
Daarnaast hebben de zoomlens, de toegenomen scherpte van het tv-beeld
en de komst van breedbeeldtelevisie er samen
voor gezorgd dat televisie meer dan ooit een close-up medium is
geworden. De hoofden die wij nu op het beeldscherm zien hebben
letterlijk een bigger than life-karakter gekregen. Van het
gezicht is nu elke rimpel te zien, van elke
gezichtsuitdrukking is elke microbeweging waar te nemen.
Deze situatie –
heftiger beelden en een ongekende scherpte - heeft in
emotioneel opzicht grote gevolgen, en lijkt een aanzienlijke rol te
spelen bij het ontstaan of versterken van collectieve uitbarstingen
van emoties. Een deel van de verklaring lijkt te zijn dat
televisiekijken niet langer een voornamelijk ontspannende bezigheid
is, maar soms een psychologische confrontatie, en meer dan voorheen
ook een fysieke confrontatie is geworden met andere mensen en
hun gevoelens op het beeldscherm.
Televisie en de
menselijke expressie
Als we communicatie
opvatten als middel tot overleving kunnen we de mens zien als wezen
dat voortdurend bezig is erachter te komen wat zich in het hoofd van
de ander afspeelt. Dat is meestal niet zo’n gemakkelijke opgave. Want
de mens is, zeker als de babyfase voorbij is, een echte toneelspeler.
Hij kan zijn emoties verbergen, en emoties tot uitdrukking brengen die
hij helemaal niet voelt. Sommige uitdrukkingen van
gelaat en lichaam zijn gemakkelijk te duiden, want ze zijn bijna
universeel van aard: blozen, transpireren, warm worden om er een paar
te noemen. Maar andere uitingen zijn aangeleerd: taal, gebaren
en de ruimtelijke afstand die we tot de ander houden. De menselijke
expressie is daarom een vaak onontwarbare kluwen van spontane en
gecontroleerde uitdrukkingen.
Televisie
heeft zijn eigen emotionele conventies ontwikkeld. Tot de meer
curieuze afspraken behoort het taboe op boos worden. Wie in een
talkshow woedend wordt, heeft bij voorbaat verloren. Een ander taboe
is dat op stilte. Neemt een talkshow-gast, op radio of tv, tien
seconden de tijd om na te denken, dan raakt de presentator bijna in
paniek. Deze taboes zijn het beste bewijs dat, hoe gezellig en
democratisch het er ogenschijnlijk ook aan toegaat, de macht bij de
presentatoren ligt. Zij mogen niet in verlegenheid gebracht worden,
zij moeten heer en meester blijven van de show. Het resultaat is
wel dat de kijker naar andere tekenen van emotie speurt. Valt er
toch een stilte, dan is dat het snelste teken dat er sprake is van
grote emotie, wat de kijker direct signaleert. De
kijker let dus steeds meer op tekens die kunnen onthullen dat achter
die plastic glimlach en de alles-onder-controle-mimiek en -gebaren
emoties schuilgaan die de persoon in kwestie het
liefste verborgen wil houden.
Wat voor televisie erg belangrijk is, is
dat afstand zo’n grote rol speelt in de
aandacht die we schenken aan non-verbale uitingen. Tot een meter
afstand nemen we de nuances van de gelaatsuitdrukkingen goed waar. Bij
grotere afstanden letten we meer op de houding en de bewegingen van
het lichaam. Van een zekere afstand hebben we
dus ook meer mogelijkheden om toneel te spelen. Toch is ook van een
paar meter het verschil tussen een ontspannen en een
geëmotioneerd iemand onmiddellijk waar te nemen. Ontspannenheid
kenmerkt zich door asymmetrische arm- en beenpositie, zijwaarts of
achterover leunen, ontspannen handen en nek. De emotie toont zich in
meer lichaamsbewegingen, bijvoorbeeld het aanraken van delen van het
eigen lichaam, zoals het haar of de neus. Omdat president Clinton,
toch een rasacteur, in zijn tv-getuigenis in de Monica Lewinsky-zaak -
‘I had no sexual relationship with that woman’- vaak
aan zijn neus krabde, terwijl er rimpels in zijn voorhoofd verschenen,
wisten kenners direct dat hij ook volgens zichzelf
glashard zat te liegen. Er bestaat namelijk geen neutrale houding,
altijd drukt het gelaat, de lichaamshouding of –beweging een mening,
een gevoelstoestand of stemming uit. Op televisie is de menselijke
expressie beter te zien dan ooit, beter soms ook dan bij bijeenkomsten
in levenden lijve.
Nu de televisie de menselijke expressie
tot in de meest genadeloze details kan overbrengen, kan de subtielste
gelaatsuitdrukking op tv tot herkenning en reactie leiden. Vaak
verloopt dit onbewust, zoals we zoveel impulsen van
buitenaf in ons opnemen zonder het te beseffen. Hoe belangrijk dit is
in de politiek, weten we al sinds het beroemde
tv-debat tussen Kennedy en Nixon in 1960. Maar daar was het verschil
in verschijning zo groot dat iedereen dit kon zien. De
vitale, gebruinde en goed geschminkte Kennedy debatteerde niet, maar
sprak zijn boodschappen rechtstreeks in de camera kijkend uit. Hij
wilde niet Nixon, maar de kijkers thuis overtuigen. Nixon
had zich niet geschminkt, had bovendien een lazy shave, stond
te wiebelen en beantwoordde de vragen inhoudelijk. Het resultaat is
bekend: radioluisteraars meenden dat Nixon,
tv-kijkers dat Kennedy het debat had gewonnen. Televisie maakte JFK
tot president.
Tijdens de presidentiële
verkiezingsdebatten in 1984 onderzochten Amerikaanse onderzoekers in
welke mate de kijkers werden beïnvloed door de gelaatsuitdrukkingen
van de gespreksleiders Peter Jennings (ABC), Tom Brokaw (NBC) en Dan
Rather (CBS). Ze legden 37 fragmenten van een paar minuten
voor aan een willekeurige groep mensen en vroegen hun de uitdrukking
op hun gezicht te beoordelen, op een negatief-positief-schaal van 1
naar 21. Dan Rather scoorde 10,46 punten
als hij het had over Walter Mondale en 10,37 als
hij het had over Ronald Reagan, wat neerkomt op een vrijwel volkomen
neutrale gezichtsuitdrukking. Hetzelfde gold voor Brokaw. Jennings
echter scoorde bij Mondale 13,38 punten, en als hij het over Reagan
had begon zijn gezicht zo te stralen dat hij 17,74 scoorde. Uit
enquêtes bleek dat de mensen die naar ABC keken in alle gevallen vaker
op Reagan hadden gestemd dan de mensen die naar CBS of NBC keken. De
subtiele reclame voor Reagan in de gezichtsuitdrukking
van Jennings had, volgens Malcolm Gladwell, blijkbaar het stemgedrag
van de ABC-kijkers beïnvloed.
De mens reageert dus op de geringste tekens op het gelaat en in de
houding van een ander.
De dans van de
onderlinge synchronie
Het fenomeen van de
‘psychische infectie’ en sociale besmettelijkheid is alom bekend.
Dat er in groepen mensen die bijeen zijn bijzondere sociale
mechanismen kunnen optreden, waarin de emotie de hoofdrol speelt, dat
weten we allemaal. De Franse socioloog Gustav
le Bon heeft ‘de psychologie van de massa’ al voor 1900 uitvoerig
beschreven. Adolf Hitler bestudeerde zijn werk in de jaren twintig in
de gevangenis zorgvuldig om er, eenmaal vrij, zijn fatale voordeel mee
te doen.
Dat aanvallen van collectieve angst en
extase ook opgewekt kunnen worden door iets onzichtbaars
als een gerucht, bewezen vele spontane volksopstanden in het verleden.
Dat zoiets droogs als een krant hiertoe ook in staat was, dat
bewees het hypernatonalisme in de tijd van de Boerenoorlog rond 1900.
Dat ook radio deze gevoelens kon bewerkstelligen bewees de massale
paniek die uitbrak na het reality-hoorspel The War of the Worlds
van Orson Welles in 1938 in Amerika over de landing
van buitenaardse wezens. In Nederland versterkte radio - ‘We gaan naar
Rome!’ - de nationale opwinding over het EK-voetbal in 1934. En dat
ook televisie tot aanvallen van nationale hysterie kan
eiden weten we sinds de inzamelingsactie Open het Dorp van Mies
Bouwman in 1962.
Maar wat nodig blijft is een verklaring
voor het feit dat televisie in de eerste decennia van haar
bestaan niet of nauwelijks tot huilen aanzette – Mies Bouwman was
tijdens de 24-uurs-marathon wel ontroerd, maar ze huilde niet –
en dat dit in het afgelopen decennium zo overvloedig vaak wel het
geval was. Zoals we zullen zien is er een nauw verband met de
algehele curve in publieke emotionaliteit in de twintigste eeuw, die
rond 1960 op het dieptepunt verkeerde.
Omdat televisie zo’n grote rol speelt
bij publieke uitingen van emotie gaat het hier om de vraag hoe
interactie tussen mensen verloopt als er een
tv-scherm tussen zit. Daarbij gaat het niet alleen om de herkenning
van de emotie bij de ander, belangrijker nog is de
vraag hoe en welke reactie op die emotie wordt opgeroepen.
Baanbrekend voor de kennis over interpersoonlijke reacties is het werk
dat de Amerikaanse psycholoog William Condon vanaf de
jaren zestig op dit terrein verrichtte.
Een van zijn onderzoeken betrof het ontcijferen van een filmfragment
van 4,5 seconde. In het fragment zegt een vrouw tijdens
het eten tegen een man en een kind: ‘Jullie zouden elke avond moeten
komen. We hebben al maanden niet meer zo prettig met elkaar gegeten’.
Hij splitste het fragment in talloze gelijke stukjes, bekeek ze keer
op keer, en ontdekte dat de vrouw haar hoofd op precies dezelfde
manier bewoog als haar man zijn handen ophief. Hij
ontdekte andere patronen in de microbewegingen en concludeerde dat de
drie mensen niet alleen praatten en luisterden, maar ook bezig waren
met wat hij ‘onderlinge synchronie’ noemde.
Hun conversatie had een ritmisch,
lichamelijk aspect. Iedere persoon bewoog binnen één, twee of drie
fragmenten van een fractie van een seconde een schouder,
een wang, een wenkbrauw of een hand, hield die beweging in
stand, remde haar af, veranderde van richting en begon opnieuw.
Sterker, die bewegingen waren volmaakt afgestemd op wat iedere persoon
zelf zei, zodat ze eigenlijk een dans uitvoerden op het ritme van hun
eigen spraak. Het einde en het begin van de
microbewegingen van iedere persoon waren volmaakt in harmonie.
We zouden dus kunnen concluderen dat
daar aan tafel een harmonieuze dans of symfonie plaatsvond. Dat is
communicatie idealiter ook. Iedereen kent het
verschijnsel dat als je een gesprek begint met een ander, je, komend
vanuit andere ervaringen en emoties, beiden op geheel verschillende
spreektoon en woordkeus begint. En dat, als de vertrouwelijkheid groot
genoeg is, er snel een gemeenschappelijke vorm gevonden wordt om die
verbale en emotionele ‘dans’ op te voeren. Als
alles op basis van vrijwilligheid en wederzijdse aanpassing verloopt,
heb je na afloop een zeer bevredigend gesprek gehad.
Sterker, een goed en intiem gesprek kan juist wegens deze versmelting
net zo erotisch zijn als seks. Het Latijnse
woord ‘communicatio’ betekent misschien niet geheel
toevallig ook geslachtsgemeenschap.
Bij communicatie gaat het behalve om
aanpassing ook om imitatie. De imitatiebehoefte is niet alleen zeer
menselijk, ook bij dieren zoals apen is het een bekend verschijnsel.
Als je mensen en apen een foto laat zien van iemand die
lacht of fronst, beginnen ze ook te lachen of te fronsen. Als een
menselijke baby de moeder hoort huilen, wrijft de baby zelf de niet
bestaande tranen uit de ogen. We imiteren elkaars
emotie om te laten zien dat we het goed bedoelen met de ander, en ook
dat we bereid zijn de ander te helpen.
De fysieke
behoefte om te reageren
Live-communicatie
is in wezen een bijna dierlijke activiteit waarbij alle zintuigen
worden ingezet. Dat dit bij televisie en film, niet kan mag duidelijk
zijn: ruiken, proeven en tasten komen er niet aan te pas. Toch is bij
tv-kijken aanpassing of imitatie vaak wel mogelijk: we juichen bij een
doelpunt, lachen om een grap. Maar van een
dans zoals in een gesprek kan geen sprake zijn, terwijl het lichaam
wel de behoefte heeft om in ‘onderlinge synchronie’ te komen met de
mens op die beeldbuis. Bij communicatie in
levenden lijve, die uit is op versmelting, spelen intuïtie en empathie
een grote rol. Dat zijn beide betrekkelijk irrationele
fenomenen die berusten op de prikkeling die de opgevangen signalen –
niet alleen (lichaams)taal maar ook klanken, kleuren en vormen –
opwekken in het lichaam. Er wordt een gevoelslaag
opnieuw geactiveerd die het mee-resoneren met het geuite tot een
natuurlijke vanzelfsprekendheid maakt.
Als we van alle oorzaken van de
emotionalisering ons hier richten op het medium televisie, dan ligt de
kern ervan in het onnatuurlijke karakter van de communicatie en in de
eenzijdigheid van het emotionele proces bij tv-kijken. Het cliché van
de negatieve sociaal-psychologische gevolgen die de ‘zware kijker’
ervan ondervindt is bekend. Overal waar mensen directe ervaringen met
de buitenwereld kunnen opdoen, wordt de afhankelijkheid van de media
zwakker en hun invloed op de subjectieve constructie van de realiteit
geringer. Zware kijkers zijn dan ook depressiever dan lichte kijkers.
Emotioneel gesproken is het met tv-kijken net als met andere zaken
zoals zuurstof, slaap, godsdienst, vitamines, praten of recreatie: er
is altijd een optimale waarde waarboven alles giftig wordt. De
biologische variabelen moeten een beetje in evenwicht zijn. Wie zich
een overdosis van dezelfde soort televisiebeelden
toedient, kan op de gevolgen wachten: afstomping of overgevoeligheid.
Zintuiglijk
gesproken is er een wezenlijk verschil tussen de mens die voor het
beeldscherm zit en de mens die in de bioscoop, schouwburg of
concertzaal zit. Om het medium film te nemen, dat het
meest op televisie lijkt: in de bioscoop kijk
je naar een film, waarbij je als het moeilijk wordt de toevlucht kunt
nemen tot de gedachte: het is maar film, het
is maar fictie.
Dat laatste kan bij tv van de emotionele
reality-soort – leed-tv of documentaires over ellende ver weg - niet.
Als je niet wegzapt en wilt blijven kijken zijn er drie relevante
mogelijkheden: je wordt ook emotioneel, je wordt niet emotioneel, of
je wordt wel emotioneel maar wilt het niet zijn. Het eerste geval
kan een geruststellend gevoel van empathie of zelfs catharsis
opleveren. Het tweede geval levert niet zelden een schuldgevoel op. En
als je in het laatste geval je toevlucht wilt nemen
tot de uitweg: het is maar tv, dan is dat een nooduitgang die
afgesloten is want het gebeurt blijkbaar echt. Dan is zenuwachtigheid
het gevolg. Deze mogelijke reactie doet denken aan de proeven om apen,
die van nature nauwelijks neurosen kennen, toch neurotisch te maken.
De ene succesmethode was die van de ‘maternal deprivation’, het
verstoren van de veilige kindertijd. De andere succesmethode was het
aanbieden van dubbelzinnige prikkels: een
ellips geeft voedsel, een cirkel een elektrische schok. Laat de twee
steeds meer op elkaar lijken, en je krijgt een neurose.
Dit was het geheim van het succes in 1999 van de
reality-fictie-film The Blair Witch Project. Toeschouwers
wisten niet wat ze zagen: de ellips of de cirkel.
Andere omstandigheden in de bioscoop
zijn eveneens gunstig voor de emotionele verwerking: het avondje uit,
de duisternis én de fysieke aanwezigheid van andere mensen. Ook al zit
het lichaam nog vaster in een stoel dan thuis, de aanwezigheid van
anderen lijkt ertoe bij te dragen dat er meer zintuigen aan het werk
zijn waardoor het lichaam zich toch behaaglijk voelt. Vergeleken bij
de bioscoopfilm is reality-tv afwisselend ellips en cirkel, en soms
vallen deze samen.
Televisie biedt plezier en ontspanning,
biedt compensatie voor vereenzaming en frustratie. In het eerste geval
worden de plezierige emoties aangesproken en is er niet veel aan de
hand. In beide gevallen blijft er natuurlijk sprake van een optimale
waarde waarboven het gemis aan ‘het echte leven’ buitenshuis toch
een giftig karakter kan krijgen. Als onplezierige emoties aangesproken
worden, is het effect drastisch anders. Het zien van te veel ellende
ver weg mag een beroep doen op het geweten,
waartegen het lid worden van een edele vereniging of het doneren van
wat geld meestal wel afdoende is. Maar emotie-tv waarin
niet geluk maar individueel leed en pijn centraal staan waartegen ook
geen giro-activisme helpt, pleegt in wezen een terroristische aanslag
op zowel de zintuiglijke neiging tot imitatie en ‘onderlinge
synchronie’ als op de neiging te willen helpen die
de mens van nature in zich heeft. Maar hoe kan men reageren als mensen
op tv zichtbaar verdriet hebben of lijden? Men kan niet helpen, men
kan geen arm of borst aanbieden, men kan alleen zelf huilen. Dat
huilen biedt velen blijkbaar een bepaalde bevrediging. Sommigen
ondervinden een gevoel van catharsis, voor anderen is het compensatie
voor tranen om het eigen leven.
In toenemende mate lijkt er de afgelopen
jaren sprake te zijn van overgevoeligheid en de behoefte publiekelijk
uiting te geven aan de gevoelens van compassie,
rouw, verdriet of woede. Het is een psychische behoefte, maar
ook een fysieke behoefte om buiten alsnog in ‘onderlinge synchronie’
met anderen te komen wat in de huiskamer met
de mensen op de tv niet mogelijk was. En als dat
proces buiten eenmaal op gang is, kan dat buitengewoon besmettelijk
werken. ‘Het werkt als in een kennel,’ zei psychiater A. van Dantzig
over de rouwplechtigheden na de elfde september, ‘als één hond begint
te blaffen, blaffen ze binnen de kortste keren
allemaal.’
De
individualisering van de emotie
Hoezeer de
televisie, niet alleen de commerciële, ook heeft bijgedragen aan de
huidige emotiecultuur, belangrijke wortels ervan liggen in de diverse
langetermijnprocessen op het gebied van de emotionele conventies en de
economie die een tot twee eeuwen terug begonnen. In sommige opzichten
lijken we weer terug te zijn in de tijd voor de Franse Revolutie.
In de achttiende eeuw overdekten
minnaars hun brieven met tranen, omhelsden vrienden elkaar wenend en
zetten toeschouwers in het theater graag hun hart open om te huilen.
Het lezen van romans en gedichten, in toenemende mate populair, ging
met veel tranen gepaard. Een groot deel van het literaire publiek
zocht een persoonlijke band met de schrijver, en creëerde deze door
een intense betrokkenheid te ontwikkelen met de lotgevallen van diens
hoofdpersonen. De schrijvers op hun beurt gingen emotioneler schrijven
om in de behoefte te voorzien. En zo
werd ‘overdreven hartelijkheid de norm in fictie’, zowel in de
opkomende burgerlijke roman als in de gelijktijdig massaal opkomende
‘pulplectuur’ zoals de kasteelromans.
De beschimpingen van de elite richtten zich evenwel vooral
op deze ‘kitsch-lectuur als troostmiddel’.
Het theater was dé publieke plek voor de
emotie. Bij het zien van het verfijnde ‘ballet van liefhebbende
families en de impulsen van de natuur’ smolten de burgerij en de adel
weg in tranen en dompelden zich onder in het spektakel van
de gevoeligheid. ‘De kunst van de tederheid en de uitvoering van het
meelijwekkende verhaal zorgden samen voor de esthetische regels van
een sociale code van de salons.’
Dat deze gevoeligheid samenging met een toenemende veroordeling van de
misbruiken van het Ancien Régime en de armoede
van het volk, zoals sommige historici suggereren, klinkt niet erg
overtuigend. Er was wellicht sprake van enige schaamte over het
cynisme in de onderlinge emotionele betrekkingen zoals dat beschreven
werd in de schandaleuze brievenroman Les Liaisons Dangereuses
van Choderlos de Laclos. Maar als er adellijke tranen van spijt en
empathie waren, kwamen ze in elk geval te laat. De Franse Revolutie
maakte een einde aan de heerschappij van de adel, en vestigde de
burgerlijke republiek van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Zoals
dat gaat bij revoluties, ging dat met een
lawine van emoties gepaard. Al deze emotie die de
revolutionairen huilend in elkaars armen deed vallen, riep de droom op
van een nieuwe sociale band.
De Franse historica Anne
Vincent-Buffault noemt het ‘curieus’ dat deze feesten van tranen
kwamen op het moment dat het politieke systeem werd gebaseerd op het
individu. Zo curieus is dat niet. Zoals de val van de Muur in
1989 liet zien, ligt een belangrijke oorzaak van collectieve euforie
in de omstandigheid dat die gedroomde vrede en verbroedering al wel
een mogelijkheid was geworden – door de komst van Gorbatsjov en zijn
hervormingen – maar toch niet in deze omvang voor mogelijk waren
gehouden. En wat gold voor de tijd van de Franse Revolutie gold ook
voor de revoluties van 1989: de collectieve emotionalisering trad
juist op in een periode waarin de werkelijke intermenselijke
verhoudingen rationeler, koeler werden.
Toen alle revolutionaire euforie, gekte
en terreur voorbij waren, en de burgerij na 1815 bijna overal in
West-Europa aan de macht kwam, was de tijd van
de ‘theater-emotie’ al over zijn hoogtepunt heen. Niet dat deze niet
meer voorkwam, de afscheiding van België in 1830 begon tenslotte in
een theater in Brussel waar een vrijheid verheerlijkende opera over
slaven werd opgevoerd. Maar in een revolutionaire
situatie kan bijna alles als lont in het kruitvat dienen.
De nieuwe burgerij was nog niet zelfverzekerd genoeg om zich zo
collectief te laten gaan als de oude elites eind
achttiende eeuw. De onzekere verhoudingen tussen de diverse groepen
binnen deze burgerij leidden ertoe dat het veiliger
werd geacht een beschermend harnas aan te trekken om vooral niet zwak
over te komen. En de ideologie van de burgerij was
tenslotte ook gebaseerd op het individualisme. Zo werd de
emotionaliteit als het ware ook geïndividualiseerd.
De behoefte om zich als klasse te
onderscheiden van de klasse der arbeiders versterkte de tendens tot
zelfbeheersing. Publieke emoties werden als ‘sentimentaliteit van het
volk’ omschreven, als bewijs van hun minderwaardigheid en domheid.
Samen met de handtastelijkheid van dat volk – dansen bij vreugde,
knokken bij woede, eten met de handen – werd deze sentimentaliteit als
bewijs gezien dat ‘het gepeupel’ niet ver boven het dier verheven was.
In deze poging een eigen beheerste stijl
te creëren, en zich af te zetten tegen al wat lager in de sociale
hiërarchie stond, ontstonden er nieuwe emotionele codes
voor gedrag in het openbaar. In het theater en in de concertzalen werd
‘ de juiste emotie’ er een van bijna religieuze
vervoering, met gesloten ogen vaak, als teken
van verfijnd en beschaafd genot. Een
houding die we tot op heden kunnen waarnemen bij
hoogwaardigheidsbekleders en andere bekendheden
tijdens de tv-beelden van bijvoorbeeld de Matthaeus Passion in de kerk
van Naarden; of in theaters waar de enige toegestane emotie na afloop
geuit wordt in het plichtmatige klappen tot het doek twee of drie keer
is opgehaald, waarbij sommige durfals zelfs ‘Bravo! Bravo!’ roepen,
met een bestudeerde intonatie en meestal met hetzelfde bescheiden
volume.
Intussen vond, zeker vanaf het midden
van de negentiende eeuw, de emotie van de burgerij andere
uitingsvormen en andere objecten om zich op te richten. Mannen hielden
langzaam maar zeker op met huilen in het openbaar, als bewijs behalve
meester over anderen ook meester over zichzelf te zijn. In hoofdstuk 4
zullen we zien dat politieke leiders van de nieuwe
emancipatiebewegingen, arbeiders en gereformeerden, zich rond 1900
weer van een emotionele stijl gingen bedienen om zich af te
zetten tegen deze koele liberalen. Burgerlijke vrouwen werd toegestaan
te huilen, maar liefst alleen in de kerk, bij het lezen van romans of
bij het pianospelen. Om andere redenen huilen, zoals in echtelijke
ruzies, dat had de man liever niet. Dat werd gezien als een
laag wapen van het ‘zwakke geslacht’ waartegen de man inmiddels weinig
verweer had. Handtastelijkheid werd immers gezien als kenmerk van ‘die
massa’s daar beneden’, zoals Emile Zola, overigens in alle sympathie,
het gewone volk placht te omschrijven.
In de poging zich van die massa’s daar
beneden te blijven onderscheiden gingen de zintuigen een nieuwe rol
spelen. Nu het in de opkomende massamaatschappij letterlijk steeds
meer ging om afstand en afstandelijkheid, werd in
toenemende mate gebruikgemaakt van de ‘zintuigen van de nabijheid’:
de tast, de smaak en de reuk. Oog en oor bleven belangrijk, maar smaak
en geur werden nieuwe hulpmiddelen in de zelfpresentatie en in het
aanbrengen van de grenzen rond het ‘ons soort mensen’. Nu de tastzin
een genegeerd zintuig was geworden in het sociale verkeer, en zelfs
weer tot het ‘dierlijke zintuig’ werd gereduceerd zoals dat reeds door
Aristoteles was omschreven, werd de geur tot belangrijke hulpgids
gemaakt om de diverse bevolkingsgroepen te kunnen blijven
onderscheiden.
Het oude idee van Hippocrates maakte
weer opgang dat uiterlijk en gevoeligheid van de mens worden bepaald
door de kwaliteit van de aarde, de lucht en het water die
hem omringen, het voedsel dat hij eet, de kleding en natuurlijk de
activiteiten waar hij zich mee bezighoudt. Zo kon men concluderen
dat ambachtslieden en boeren, die met hun handen werken, geen tastzin
hadden: hun huid was aangetast door al die handenarbeid. De ene emotie
die schuil ging achter al deze burgerlijke methodes van zelfafgrenzing
was natuurlijk angst, angst voor de massa. Deze
angst zou de hele twintigste eeuw de houding van de elites en de
overheid bepalen als het ging om de collectieve emoties.
Introspectie
als neurose
De
individualisering die het kenmerk zou worden van de tijd na 1800
leidde tot een andere ontwikkeling die sommigen tegen het
einde van de twintigste eeuw zo sterk zouden
hekelen als typisch hedendaagse ‘egopeuterij’. In de woorden van
psycho-historicus Peter Gay: ‘De negentiende eeuw was intens
gepreoccupeerd met het Zelf, tot op het punt van neurose.’
Rond 1850 waren de pogingen om het geheime leven van het Zelf te
verbergen of te onthullen, of op zijn minst te begrijpen ‘een
favoriete, en geheel serieuze, indoor sport’ geworden. Gay
citeert uit de roman Aan de vooravond uit 1859 van Ivan
Toergenjev, die zich geheel en al aan introspectie overgaf, zoals zo
vele schrijvers en lezers van die tijd. De mensen, aldus
Toergenjev, ‘bestuderen zichzelf altijd tot in de walgelijke details,
voelen hun pols bij elke opwinding die ze voelen en berichten dan aan
zichzelf: ‘‘Dit is hoe ik me voel, en dit is wat ik
denk.’’ Wat een nuttige, gevoelige soort van
bezigheid.
De obsessie met het eigen ik was dus al
lang mode van de dag voor Freud op het
toneel verscheen. Hij geldt terecht als de overgang van de
Victoriaanse naar de twintigste eeuw, maar zijn tijd was volgens Gay
ook het hoogtepunt ‘van een eeuw lange poging om de innerlijke ruimte
in kaart te brengen’. De keerzijde van de toenemende sociale dwang en
zelfdwang van de burgerij was de toenemende
gewaarwording van het innerlijk gevoel, van dat gemurmel
van de ingewanden. Deze dreef de elites eerst naar de roman, en later
naar de divan van Freud en zijn collegae.
De veelvuldig geuite mening heden ten
dage dat de ‘doorgeslagen ik-gerichtheid’ iets is van de laatste
decennia, is dus pertinent onjuist. Omdat deze onder de gegoede
burgerij in de negentiende eeuw eveneens was ‘doorgeslagen’ kan de
ik-gerichtheid ook gezien worden als een eigenschap van de moderne
burger die niet langer de hele dag met zijn handen bezig hoeft te zijn
om in zijn onderhoud te voorzien. Het demografische verschil tussen
toen en nu is dat de massa niet meer bestaat, maar de status van
moderne burgerij heeft verworven. Het sociale verschil zit hem in de
culturele vormen die deze ik-gerichtheid tegenwoordig aanneemt.
De burgerij van toen kanaliseerde haar
emoties onder andere in de genoemde banen van het bezoeken van
podiumkunsten. En thuis in het lezen van
romans en van de krant om de behoefte deel uit te maken van die
imagined community van de eigen zuil, klasse of natie te
bevredigen. Het ‘weldenkende deel der natie’ van nu
prefereert nog goeddeels dezelfde beheerste emotiehuishouding. Maar de
belangrijkste ontwikkeling in dit opzicht van de afgelopen decennia is
dat deze elite de ‘wet van het gezonken cultuurgoed’ op
zijn kop heeft gezet. Steeds massaler en op steeds meer terreinen
heeft de elite de smaak, het
gedrag en de emotiebevrediging van de massa overgenomen: in de
kleding, het taalgebruik, het familiaire gedrag en de voorliefde voor
sport en soaps.
Schrijvers en kunstenaars hebben in de
twintigste eeuw de exploratie van het ik en de emoties daarover
voortgezet en verder uitgediept, en er uiteindelijk ook een expliciete
seksuele tint aan gegeven. Maar het is de massa geweest die de
ontwikkelingsgang van de publieke emoties heeft bepaald. Het was de
massa die als eerste in de bioscoop zat en op de tribunes van het
stadion, en die de gang naar de publieke
danszaal maakte. De elites hebben dit vermaak in de eerste
helft van de eeuw wel trachten in te dammen of het in de verhevener
richting van de hogere kunsten te leiden, maar uiteindelijk zonder
veel succes.
De
behoefte aan warmte
Waar de burgerij
dankzij de verschuiving van het accent binnen het kapitalisme van de
industriële sector – met veel handenarbeid – naar de dienstensector –
waarin praten de centrale werkrelatie is geworden – wel blij mee was,
was de intellectualisering van het dagelijkse leven. Het betekende een
verdere verwaarlozing van andere zintuigen dan het oog en het oor. In
de huidige mediamaatschappij zijn twee menselijke bezigheden dominant
geworden: luisteren en praten op het
werk, luisteren en kijken naar televisie thuis. Omdat praten emotie
is, een uitwisseling van gesublimeerde kracht, en veel
communicatie op het werk helemaal niet altijd bestaat uit louter
vreugdevol teamwork maar niet zelden een in mooie woorden
verpakte machtsstrijd is, vereist dit voor veel
werknemers een constante inspanning. Een inspanning die bovendien vaak
op frustratie uitdraait omdat de democratisering en de goede human
relations suggereren dat iedereen zijn zin kan krijgen. Maar
intussen moeten de targets van het moderne bedrijf wel gehaald
worden. Gezien deze economische intellectualisering
is het geen wonder dat de tijd die mensen thuis besteden aan het
televisie kijken almaar is toegenomen: de tv doet wat je zegt
en de tv stelt zelf geen targets.
In beide gevallen is ‘de ander’ –
collega en beeldbuis – uiteindelijk een cold
object: je kunt het niet aanraken, zeker niet sinds in de jaren
negentig de angst voor ongewenste seksuele intimiteiten tot een
‘aanrakingstaboe’ zou uitgroeien. Intussen is in de afgelopen decennia
door psychologen, managers en politici het woord communicatie zo’n
beetje heilig verklaard, als panacee voor alle
mogelijke persoonlijke, politieke en maatschappelijk kwalen. De
frustratie die hieruit voortvloeit is te wijten aan deze baatzuchtige
heiligverklaring van leiders en aan de droom die de
mensen al sinds de uitvinding van de telefoon door de media in
vervulling hopen te zien gaan: de fysieke versmelting met de afwezige
ander.
De technologisering, individualisering, bureaucratisering en
vervreemding in de twintigste eeuw hebben ertoe geleid dat deze
versmelting in toenemende mate niet in de werkelijkheid van de
werkvloer, het café of de huiskamer maar in de werelden van de fictie
gerealiseerd moest worden. De almaar groeiende
betekenis van de media om frustraties te dempen en dit
verlangen naar versmelting te bevredigen, heeft aan de media een rol
toegekend die ze helemaal niet kunnen waarmaken.
De media bevredigen de eigen zintuigen
en worden gebruikt als uitbreidingen van het menselijk lichaam, dat
maar een pover halffabrikaat is in verhouding tot wat het wil,
namelijk de afstanden overbruggen tot de gebeurtenis elders of de
ander zelf. Maar over hoe meer media we kunnen beschikken, hoe sneller
wij ons bewust zijn van de muren en afstanden tussen de mensen. En het
bijeffect is dat de zintuigen nog
eenzijdiger ontwikkeld worden dan in het pre-televisietijdperk. Dat de
moderne media een deformatie kunnen opleveren, daar wees Sigmund
Freud als eerste op, en na hem werd Marshall McLuhan wereldberoemd met
de slogan The Medium is the Message. De aard van het
medium, niet de inhoud, bepaalt de veranderingen in ons gedrag en
bewustzijn. Zoals een veel-lezer sneller behoefte heeft
aan een bril dan iemand die helemaal niet leest, zo leidt
veel tv-kijken tot verwaarlozing van de andere zintuigen dan het oog
en het oor, die met het eten van snacks
slechts zeer ten dele kunnen worden bevredigd.
De reactie op deze zintuiglijke armoede
werd in de jaren negentig zichtbaar, bijna evenredig met
de toename van het aantal kanalen, zenders en andere mogelijkheden om
de behoeften aan contact en informatie en vermaak langs
elektronische weg te bevredigen zoals internet en de mobiele telefoon.
De reactie op al deze mogelijkheden van niet-fysiek contact was de
explosief toenemende drang om buiten de anderen op te zoeken, en zich
weer te koesteren in hun nabijheid, kortom om
niet alleen oog en oor maar alle zintuigen te bevredigen en zich weer
onderdeel te voelen van het sociale lichaam dat de samenleving is.
De almaar toenemende welvaart en vrije
tijd maakten het mogelijk dat de explosief groeiende hoeveelheid media
in huis samen kon vallen met een
explosief toenemende drang tot uithuizige recreatie, overdag in
pretparken en festivals, ’s avonds en ’s nachts in het steeds
ontremdere uitgaansleven. Vooral in dit uitgaansleven vielen de meeste
slachtoffers, zoals we zullen zien in het hoofdstuk over geweld.
In een reactie op deze ontremde
maatschappij klonk in de jaren negentig in toenemende mate de roep om
zachte en harde maatregelen om het ‘ontspoorde’ publieke gedrag in het
gareel te krijgen. In het slothoofdstuk zullen we de huidige tijd
daarom typeren als een periode van ‘reactionair modernisme’. Dit
bestaat uit de dubbele droom van het geloof in het vrije,
onaantastbare ik en de technologische vooruitgang enerzijds en de
behoefte aan een warm wij-gevoel en terugkeer
naar oude normen en waarden anderzijds. Eerst zullen we in het
volgende hoofdstuk bezien welke factoren ertoe hebben bijgedragen dat
Nederland in de afgelopen eeuw zich ontwikkelde van ‘burgerlijk en
beheerst’ tot ‘kampioen emotie in de wereld’
|