| |
Geen mens zal
bestrijden dat het publieke domein de laatste decennia is
geemotionaliseerd. Personen zijn belangrijker geworden dan ideeën –
zichtbaarder ook als mensen van vlees en bloed. Sommigen beschouwen de
publieke tranen, de emotionalisering van de samenleving, als een groot
goed. Mensen zijn meer zichzelf, uiten hun gevoelens, zijn eerlijker,
opener. Motieven en bedoelingen van personen, van bestuurders,
machthebbers, beslissers, worden daarmee zichtbaarder. En als ze met
warmte de harten kunnen veroveren dan krijgen ze ook meer gedaan, het
bevordert leiderschap. Dus het is nog relevant ook.
Het succes van
het alleraardigst-onderhoudende televisieprogramma Barend&Van Dorp
hangt hiermee ook samen: de makers belichamen met hun
sport-achtergrond treffend deze versmelting van publiek en privaat
tot infotainment. Private en publieke gevoelens verliezen hier mede
dankzij de inbreng van Jan Mulder en de informaliteit hun
afzonderlijke compartimenten en de ene na de andere politicus meldt
dan ook juist in die setting dat hij of zij “best wel moeite heeft”
met datgene waar hij of zij zich gisteren nog bestuurlijk aan had
gecommitteerd. Sterker nog, we nemen dat de politici niet eens meer
kwalijk. Als de grootmeester van de goede bedoelingen en de emoties in
de politiek, Jan Pronk, bij Jan Mulder komt vertellen dat hij
persoonlijk grote moeite had met de bombardementen op Afganistan dan
beschouwt iedereen dat als een vorm van eerlijkheid, het hart op de
goede plaats, en eindelijk eens “een politicus die zegt wat hij denkt
en geen spelletjes speelt”.
Dat gaat nog
enkele stappen verder. Zoals er tussen private en publieke emotie
steeds minder scheidslijnen zijn, zo vervagen ook de scheidslijnen
tussen emotie en moraal. Tussen datgene waar zich men “goed bij voelt”
en datgene wat “goed is” zijn in filosofische zin weliswaar grote
verschillen te benoemen, maar in de emotionalisering van het publieke
domein lost dat verschil op, het verliest elke vorm van beredeneerde
rangorde. Goed is waar men zich goed bij voelt - emotie, geweten en
moraal zijn een eenpansgerecht. Ministers van buitenlandse zaken
klagen in dit verband terecht weleens over de CNN-factor: vanavond
zien we leed ergens in de wereld, morgen eisen we vanuit spontane
emotie en morele verontwaardiging van onze bestuurders actie en als
die er niet komt, dan falen die bestuurders of, nog erger, zij zijn
kennelijk te cynisch voor woorden.
Deze
emotionalisering, deze integratie van het persoonlijke en het publieke
domein is een kwelgeest voor een verantwoorde, betrouwbare overheid en
een democratische samenleving. Het permanent etaleren van het hart op
de goede plaats verbloemt verantwoordelijkheid en ontkent dat de
ethiek van bestuurders, voor zover het het publieke domein betreft,
niet in hun gezindheid maar in hun handelen hoort te liggen.
Het publieke domein
kan slechts functioneren bij de gratie van algemeen afgesproken
spelregels en omgangsvormen. Om deze vast te stellen kan niemand
exclusief zichzelf of de ander tot norm verheffen. Zoiets dient te
gebeuren op basis van een algemener gevoel van redelijkheid, van smaak
en stijl, van zeden en gewoonten. Om een voorbeeld te geven: als onze
staatssecretaris van cultuur en media het etaleren van porno aan de
openbare weg zou verbieden, dan zegt dat helemaal niets over de
privé-moraal van de betrokken persoon. Die zou er ook niet toe hoeven
doen. Het zegt alleen iets over diens inschatting van een
gemiddeld-gewenste inrichting van de publieke ruimte. Maar in een
wereld van publieke emoties en publieke moraal wordt het definiëren
van een publiek domein steeds moeilijker. Immers, emoties en een goed
of slecht gevoel houden vanuit hun aard geen halt voor de slagboom
tussen publiek en privaat domein en kunnen dat ook niet. In
bovengenoemd televisieprogramma zal genoemd bewindspersoon in dit
voorbeeld onmiddellijk de vraag voorgelegd krijgen of mijnheer soms
terug wil naar de bevoogding van de jaren vijftig en veel dodelijker
nog: hoe hypocriet de man eigenlijk niet is om publiekelijk te
verbieden wat privaat door zoveel burgermannetjes wordt genoten en,
erger nog: door de politie niet wordt bestreden. En voor je het weet,
worden we weer deelgenoot van de ontboezeming dat de bewindspersoon
zelf eigenlijk ook…..
Wie het publieke
domein betreedt, moet aanvaarden, om een formulering van schrijver Bas
Heijne aan te halen, dat hij niet helemaal zichzelf kan zijn en
omgekeerd is je persoonlijke vrijheid niet iets waar je anderen dag en
nacht mee kunt lastig vallen. Toch is dat iets geworden, waar onze
samenleving grote moeite mee heeft. Persoonlijke vrijheid,
persoonlijke uitingsvormen hebben de openbare ruimte geprivatiseerd.
Heijne bepleit een herdefinitie van termen voor discussie en het
opnieuw afbakenen van wat persoonlijk en publiek is. Dat lijkt logisch
maar de crux schuilt nu juist in de genoemde vervaging van publiek en
privaat, de verwarring ook, die van private en publieke tranen een pot
nat hebben gemaakt.
De eigen
emotie, het eigen gevoel van goed en fout, de eigen moraal als
dominante factor in het publieke debat en in het publieke domein
ondermijnt op vele manieren datzelfde publieke domein. Om te beginnen
lenen morele categorieën zich moeilijk voor grijstinten en nuances, de
dingen zijn zwart of wit. Wie dat betwijfelt, moet maar eens lezen hoe
sommige columnisten vanuit hun morele uitgangspunten elkaar verbaal te
lijf gaan wanneer er ergens al dan niet ingegrepen (Bosnië),
geschoten (Kosovo) of gebombardeerd (Afganistan) moet worden. Het
geweten leent zich slecht voor relativering. Het publieke domein, de
politiek voorop, daarentegen is in een democratie verplicht om
onverenigbare belangen te verenigen, om compromissen te sluiten en
daarmee ook de boel bij elkaar te houden. Maar zelden kan zij radicaal
voor wit of voor zwart kiezen. Vanuit de moraal geredeneerd heet de
politiek daarmee al gauw een ‘smerig bedrijf” en zo kijkt men er dezer
dagen doorgaans ook naar. Dat ondermijnt het prestige en het gezag van
politici, leidt ertoe dat veel talent het heil elders zoekt en dat de
bereidheid tot dienstbaarheid voor het belangrijkste wat een
maatschappij te bieden heeft, het publieke bestuur, afneemt.
De dominantie
van de moraal betekent ook dat kiezers moeten worden bedrogen. De
moraal dwingt namelijk het goede, het zuivere, te verwezenlijken en
leeft dus bij de verkoop van een illusie van maakbaarheid. Om aan deze
illusie vervolgens te ontsnappen, komen de goede bedoelingen in het
middelpunt te staan. Het gaat er dan niet meer om dat iets is mislukt,
maar dat de bedoelingen oprecht waren, casu quo de daarbij behorende
emoties zuiver. Dat ligt ook voor de hand in het kader van de
emotionalisering van het publieke domein. De filosoof Hans Achterhuis
heeft dat in diens essay De Politiek van de Goede Bedoelingen
enkele jaren geleden voor het geval-Bosnië alleraardigst geanalyseerd.
(1)
Een fraaie
illustratie hiervan waren de discussies tussen Bolkestein en Pronk
over ontwikkelingssamenwerking, het waren namelijk dialogen tussen
doven. Bolkestein kon keer op keer aantonen dat economische
vooruitgang was gerealiseerd in landen die het kapitalisme hadden
omarmd – in Azië vooral – en dat uitgerekend alle landen van Pronk –
in Afrika vooral - het alsmaar slechter was vergaan om vervolgens te
verzuchten waarom in godsnaam Nederland daar geen lessen uit wilde
trekken. En Pronk op zijn beurt schoot dan telkens terug met grote
hoeveelheden onnavolgbare statistieken en kwam ten slotte altijd voor
de dag met zijn begeestering voor de onderdrukte, de lijdende mens,
een emotioneel messianisme wat een soort Hollandse variant van het
Amerikaanse tv-predikantendom leek. In de emo-cultuur verloor
Bolkestein dat meestal, en stond al gauw te kijk als cynisch, kil,
kortom, termen die passen bij degenen die in de publieke
emotionalisering aan het kortste eind trekken.
Om alle
misverstanden te voorkomen: het is niet zo dat deze emo-cultuur drijft
op de wat simpeleren van geest en dat weldenkend intellectueel
Nederland wel beter weet. De emo-cultuur is dominant en menig groot
schrijver komt zodra hij of zij als meedenkend burger wordt
aangesproken ook niet verder dan de ordinaire pathetiek van het hart
op de juiste plaats. De historicus Ankersmit gaat zelfs zover te
voorspellen dat historici later onze tijd zullen betitelen als The
Age of the unintended Consequences, een tijd waarin politieke
visies vanuit moreel perspectief en met behulp van technische en
bestuurlijke middelen op de samenleving zijn losgelaten om vervolgens
tot geheel andere resultaten te leiden.(2)
De publieke
emo-cultuur heeft onze vaardigheid aangetast om met gezag het
publieke, het politieke domein, in te richten. Deze inrichting hoort
namelijk in wezen niet gericht te zijn op de morele verbetering van
mensen maar in het reguleren van hun uiterlijk gedrag. Hannah Ahrendt
heeft voortbordurend op dit uitgangspunt (en in haar geval,
geschrokken van het totalitarisme van haar tijd) aangetoond hoe
gevoelens uit het persoonlijke tot perversie leiden in het publieke
domein. Uiterst gevaarlijk noemt ze het, wanneer gevoelens zich
publiekelijk manifesteren en bepalend worden in de politiek.
Als aardige
illustratie voor makers van programma’s als All you need is Love
zij hier de liefde genoemd. Die is slechts bestaanbaar in het
persoonlijke, het intieme. Liefde wordt vals, onecht, als ze
publiekelijk tentoon wordt gespreid, en “kan niet dienstbaar worden
gemaakt aan politieke doeleinden, zonder een valse en ontaarde liefde
te worden” (3) Dan ontaardt het altijd in schijnheiligheid en wat
Ahrendt betreft liggen dan totalitaire samenlevingen op loer, al zien
we dat laatste een halve eeuw later natuurlijk wat minder zwaar.
Is deze emotionalisering van het
publieke domein nieuw? Nee, zeker niet. Het dispuut over Machiavelli
en diens vermeende kille, cynische machts- en staatsraison is al
enkele eeuwen oud en het is daarbij steeds gegaan om de vraag of er in
het maatschappelijke domein, in het openbare handelen, ook niet ruimte
zou moeten zijn dan wel feitelijk was voor oprechte gevoelens. (4)
Voor Rousseau gold al dat medelijden het centrale gevoel was wat alle
menselijk handelen, particulier en openbaar, uiteindelijk bestemde. En
als zijn daadkrachtiger landgenoot Robespierre zich afzette tegen wat
hij noemde de ,,onverschillige tirannentrawant” Machiavelli dan was
het ook omdat bij hem, Robespierre, de zuiverheid van medelijdende
gevoelens centraal stond in tegenstelling tot het machtsdenken van
Machiavelli. Aangenomen en gevreesd mag worden dat de doorsnee burger
het ook vandaag de dag hartstochtelijk eens is met dit oordeel van
Robespierre….
Nieuw is wel de kracht waarmee de
geluidsversterkers, genaamd de media, opflikkerende emoties aanblazen
tot uitslaande branden en hoe zij vervolgens besmuikt en zoveel
mogelijk onopgemerkt weer van de nasmeulende puinhopen wegsluipen, aan
het zicht onttrokken door het rumoer wat een brandje elders weer
teweeg brengt. Soms blijven beschadigde, getekende mensen achter, die
jaren later nog eens in de serie “Weet je nog wel” hun verhaal komen
doen. In Publieke Tranen beschrijft Henri Beunders overtuigend hoe
zelfs in dit eertijds nuchtere Holland openbare terughoudendheid heeft
plaatsgemaakt voor een mediale emotiecultuur, hoe het volk de media
heeft veroverd in de jaren negentig (5). Er is inmiddels een hele
reeks vermakelijke en trieste hypes te noemen op basis van deze nieuwe
grondstroom, waarbij niet eens zozeer het aantal als wel het gemak
waarmee hier slachtoffers worden gemaakt, verontrustend is.
De media zelf
spelen hier een weifelende rol. Allereerst zijn er natuurlijk die
media die onverbloemd vallen onder de entertainment-industrie. Zij
drijven op de stroom van deze emo-cultuur en op de vervaging van
private en publieke terreinen. Zij weifelen ook niet, maar maken
datgene wat wordt gevraagd en wordt verkocht. De overige media zijn
maar moeilijk allemaal onder één noemer te vangen – zelfs Willebrord
Frequin noemt zich journalist, nietwaar. Maar het is duidelijk dat er
een glijdende schaal is van journalistieke produkten die zich volledig
storten op de lach en de traan van de emo-cultuur tot aan media die
een andere taak voor zich zien weggelegd, althans eigenlijk
zien weggelegd.
Bij diverse
kwaliteitsmedia is de relatie tot de emotionalisering van de publieke
cultuur een voortdurende worsteling. Soms proberen programmamakers of
kranten deze benadering onder te brengen in specials of speciale
bijvoegsels, niet zelden lopen de dingen gewild of ongewild, bewust of
onbewust, door elkaar heen. Redacties van kranten en programma’s leven
nu eenmaal ook niet op de maan, voor een deel reflecteren ze de
werkelijkheid, voor een deel proberen zij er hun stempel op te drukken
– Spiegelung und Prägung zoals de oosterburen dat noemen.
Zeker en maar al
te begrijpelijk is dat de publieke rol-opvatting in een
geemotionaliseerde samenleving ook binnen de kwaliteitsmedia tot de
nodige verwarring leidt, tot vreemde uitschieters soms, die duidelijk
maken dat het kompas weleens wild rondtolt, want waarom zouden
redactiegemeenschappen zijn gevrijwaard van deze emotionalisering van
de publieke cultuur? Verwarring over smaak en stijl, over profiel,
over taakopvatting maken het natuurlijk bijzonder moeilijk om een
treffend stempel te drukken. Van democratisch plichtsbesef, publieke
dienstbaarheid, ouderwetse zorgvuldigheid en human interest naar
leedvermaak, ronkend populisme en lekker afzeiken is dan een kleine
stap.
Is dat alles
onvermijdelijk? De prijs van de emancipatie? Het is niet te hopen.
Misschien dat de jaren negentig een dolgedraaide uitzondering vormen,
waarin in de woorden van Henk Hofland “nieuws entertainment werd en
entertainment het belangrijkste nieuws” om uitdrukking te geven aan
wat hij noemde ,,een van de lawaaiigste , platste, vraatzuchtigste en
onbenulligste tijdvakken uit de westerse geschiedenis”.
Misschien waren we
om de andere grand old man van de klassieke column, J. L. Heldring, te
citeren, getuige van ,,nihilisme met een menselijk gezicht”.
Nog beter ware het
wanneer het besef van scheidslijnen tussen publiek en privaat, tussen
gezaghebbende journalistiek en emo-handel onderwerp van bewustere
bezinning zou zijn, onder programmamakers en journalisten, onder
kijkers, luisteraars en lezers. Een paar bakens van degelijkheid
kunnen in een vrij toegankelijke zee van plat moralisme en slordige
emoties een samenleving al een hele dienst bewijzen.
1
H . Achterhuis, De Politiek van de Goede
bedoelingen, Amsterdam 1999
2.
F.Ankersmit, Easthetic
Politics, Stanford 1996
3. H. Ahrendt, Vita Activa, aangehaald
in Achterhuis, O.c., p.75 e.v.
4. F. van Dooren, inleiding tot Niccolo
Machiavelli, Amsterdam 200, p.39 e.v.
5. H. Beunders, Publieke tranen,
Amsterdam 2002
|