Media Matters

 

home | e-mail | English | Zoeken

In het nieuws
Publicaties         
 Boeken
 Artikelen
 Recensies
Persoonlijk           
Interactief
Contact
Publicaties - Publieke Tranen
 

Rede uitgesproken door dr. Ben Knapen bij de presentatie van Publieke Tranen op 7 februari 2002 in Amsterdam

 

De Publieke zaak en de Emo-factor

Ben Knapen, 7 feb. 2002

   
 

Geen mens zal bestrijden dat het publieke domein de laatste decennia is geemotionaliseerd. Personen zijn belangrijker geworden dan ideeën – zichtbaarder ook als mensen van vlees en bloed. Sommigen beschouwen de publieke tranen, de emotionalisering van de samenleving, als een groot goed. Mensen zijn meer zichzelf, uiten hun gevoelens, zijn eerlijker, opener. Motieven en bedoelingen van personen, van bestuurders, machthebbers, beslissers, worden daarmee zichtbaarder. En als ze met warmte de harten kunnen veroveren dan krijgen ze ook meer gedaan, het bevordert leiderschap. Dus het is nog relevant ook.

  Het succes van het alleraardigst-onderhoudende televisieprogramma Barend&Van Dorp hangt hiermee  ook samen: de makers belichamen met hun sport-achtergrond  treffend deze versmelting van publiek en privaat tot infotainment. Private en publieke gevoelens verliezen hier mede dankzij de inbreng van Jan Mulder en de informaliteit hun afzonderlijke compartimenten en de ene na de andere politicus meldt dan ook juist in die setting dat hij of zij “best wel moeite heeft” met datgene waar hij of zij zich gisteren nog bestuurlijk aan had gecommitteerd. Sterker nog, we nemen dat de politici niet eens meer kwalijk. Als de grootmeester van de goede bedoelingen en de emoties in de politiek, Jan Pronk, bij Jan Mulder komt vertellen dat hij persoonlijk grote moeite had met de bombardementen op Afganistan dan beschouwt iedereen dat als een vorm van eerlijkheid, het hart op de goede plaats, en eindelijk eens “een politicus die zegt wat hij denkt en geen spelletjes speelt”.

    Dat gaat nog enkele stappen verder. Zoals er tussen private en publieke emotie steeds minder scheidslijnen zijn, zo vervagen ook de scheidslijnen tussen emotie en moraal. Tussen datgene waar zich men “goed bij voelt” en datgene wat “goed is” zijn in filosofische zin weliswaar grote verschillen te benoemen, maar in de emotionalisering van het publieke domein lost dat verschil op, het verliest elke vorm van beredeneerde rangorde. Goed is waar men zich goed bij voelt - emotie, geweten en moraal zijn een eenpansgerecht. Ministers van buitenlandse zaken klagen in dit verband terecht weleens over de CNN-factor: vanavond zien we leed ergens in de wereld, morgen eisen we vanuit spontane emotie en morele verontwaardiging van onze bestuurders actie en als die er niet komt, dan falen die bestuurders of, nog erger, zij zijn kennelijk te cynisch voor woorden.

   Deze emotionalisering, deze integratie van het persoonlijke en het publieke domein is een kwelgeest voor een verantwoorde, betrouwbare overheid en een democratische samenleving. Het permanent etaleren van het hart op de goede plaats verbloemt verantwoordelijkheid en ontkent dat de ethiek van bestuurders, voor zover het het publieke domein betreft, niet in hun gezindheid maar in hun handelen hoort te liggen.  

Het publieke domein kan slechts functioneren bij de gratie van algemeen afgesproken spelregels en omgangsvormen. Om deze vast te stellen kan niemand exclusief zichzelf of de ander tot norm verheffen. Zoiets dient te gebeuren op basis van een algemener gevoel van redelijkheid, van smaak en stijl, van zeden en gewoonten. Om een voorbeeld te geven: als onze staatssecretaris van cultuur en media het etaleren van porno aan de openbare weg zou verbieden, dan zegt dat helemaal niets over de privé-moraal van de betrokken persoon. Die zou er ook niet toe hoeven doen. Het zegt alleen iets over diens inschatting van een gemiddeld-gewenste inrichting van de publieke ruimte. Maar in een wereld van publieke emoties en publieke moraal wordt het definiëren van een publiek domein steeds moeilijker.  Immers, emoties en een goed of slecht gevoel houden vanuit hun aard geen halt voor de slagboom tussen publiek en privaat domein en kunnen dat ook niet. In bovengenoemd televisieprogramma zal genoemd bewindspersoon in dit voorbeeld onmiddellijk de vraag voorgelegd krijgen of mijnheer soms terug wil naar de bevoogding van de jaren vijftig en veel dodelijker nog: hoe hypocriet de man eigenlijk niet is om publiekelijk te verbieden wat privaat door zoveel burgermannetjes wordt genoten en, erger nog: door de politie niet wordt bestreden. En voor je het weet, worden we weer deelgenoot van de ontboezeming dat de bewindspersoon zelf eigenlijk ook…..

  Wie het publieke domein betreedt, moet aanvaarden, om een formulering van schrijver Bas Heijne aan te halen, dat hij niet helemaal zichzelf kan zijn en omgekeerd is je persoonlijke vrijheid niet iets waar je anderen dag en nacht mee kunt lastig vallen. Toch is dat iets geworden, waar onze samenleving grote moeite mee heeft. Persoonlijke vrijheid, persoonlijke uitingsvormen hebben de openbare ruimte geprivatiseerd. Heijne bepleit een herdefinitie van termen voor discussie en het opnieuw afbakenen van wat persoonlijk en publiek is. Dat lijkt logisch maar de crux schuilt nu juist in  de genoemde vervaging van publiek en privaat, de verwarring ook, die van private en publieke tranen een pot nat hebben gemaakt.

    De eigen emotie, het eigen gevoel van goed en fout, de eigen moraal als dominante factor in het publieke debat en in het publieke domein ondermijnt op vele manieren datzelfde publieke domein. Om te beginnen lenen morele categorieën zich moeilijk voor grijstinten en nuances, de dingen zijn zwart of wit. Wie dat betwijfelt, moet maar eens lezen hoe sommige columnisten vanuit hun morele uitgangspunten elkaar verbaal te lijf gaan wanneer er ergens al dan niet  ingegrepen (Bosnië), geschoten (Kosovo) of gebombardeerd (Afganistan) moet worden. Het geweten leent zich slecht voor relativering. Het publieke domein, de politiek voorop, daarentegen is in een democratie verplicht om onverenigbare belangen te verenigen, om compromissen te sluiten en daarmee ook de boel bij elkaar te houden. Maar zelden kan zij radicaal voor wit of voor zwart kiezen. Vanuit de moraal geredeneerd heet de politiek daarmee al gauw een ‘smerig bedrijf” en zo kijkt men er dezer dagen doorgaans ook naar. Dat ondermijnt het prestige en het gezag van politici, leidt ertoe dat veel talent het heil elders zoekt en dat de bereidheid tot dienstbaarheid voor het belangrijkste wat een maatschappij te bieden heeft, het publieke bestuur, afneemt.

   De dominantie van de moraal betekent ook dat kiezers moeten worden bedrogen. De moraal dwingt namelijk het goede, het zuivere, te verwezenlijken en leeft dus bij de verkoop van een illusie van maakbaarheid. Om aan deze illusie vervolgens te ontsnappen, komen de goede bedoelingen in het middelpunt te staan. Het gaat er dan niet meer om dat iets is mislukt, maar dat de bedoelingen oprecht waren, casu quo de daarbij behorende emoties zuiver.  Dat ligt ook voor de hand in het kader van de emotionalisering van het publieke domein. De filosoof Hans Achterhuis heeft dat in diens essay De Politiek van de Goede Bedoelingen enkele jaren geleden voor het geval-Bosnië alleraardigst geanalyseerd. (1)

   Een fraaie illustratie hiervan waren de discussies tussen Bolkestein en Pronk over ontwikkelingssamenwerking, het waren namelijk dialogen tussen doven. Bolkestein kon keer op keer aantonen dat economische vooruitgang was gerealiseerd in landen die het kapitalisme hadden omarmd – in Azië vooral – en dat uitgerekend alle landen van Pronk – in Afrika vooral - het alsmaar slechter was vergaan om vervolgens te verzuchten waarom in godsnaam Nederland daar geen lessen uit wilde trekken. En Pronk op zijn beurt schoot dan telkens terug met grote hoeveelheden onnavolgbare statistieken en kwam ten slotte altijd voor de dag met zijn begeestering voor de onderdrukte, de lijdende mens, een emotioneel messianisme wat een soort Hollandse variant van het Amerikaanse tv-predikantendom leek. In de emo-cultuur verloor Bolkestein dat meestal, en stond al gauw te kijk als cynisch, kil, kortom,  termen die passen bij degenen die in de publieke emotionalisering aan het kortste eind trekken.

 Om alle misverstanden te voorkomen: het is niet zo dat deze emo-cultuur drijft op de wat simpeleren van geest en dat weldenkend intellectueel Nederland wel beter weet. De emo-cultuur is dominant  en menig groot schrijver komt zodra hij of zij als meedenkend burger wordt aangesproken ook niet verder dan de ordinaire pathetiek van het hart op de juiste plaats. De historicus Ankersmit gaat zelfs zover te voorspellen dat historici later onze tijd zullen betitelen als The Age of the unintended Consequences, een tijd waarin politieke visies vanuit moreel perspectief en met behulp van technische en bestuurlijke middelen op de samenleving zijn losgelaten om vervolgens tot geheel andere resultaten te leiden.(2)

   De publieke emo-cultuur heeft onze vaardigheid aangetast om met gezag het publieke, het politieke domein, in te richten. Deze inrichting hoort namelijk in wezen niet gericht te zijn op de morele verbetering van mensen maar in het reguleren van hun uiterlijk gedrag. Hannah Ahrendt heeft voortbordurend op dit uitgangspunt (en in haar geval, geschrokken van het totalitarisme van haar tijd) aangetoond hoe gevoelens uit het persoonlijke tot perversie leiden in het publieke domein. Uiterst gevaarlijk noemt ze het, wanneer gevoelens zich publiekelijk manifesteren en bepalend worden in de politiek.

Als aardige illustratie voor makers van programma’s als All you need is Love zij hier de liefde genoemd. Die is slechts bestaanbaar in het persoonlijke, het intieme.  Liefde wordt vals, onecht, als ze publiekelijk tentoon wordt gespreid, en “kan niet dienstbaar worden gemaakt aan politieke doeleinden, zonder een valse en ontaarde liefde te worden” (3)  Dan ontaardt het altijd in schijnheiligheid en wat Ahrendt betreft liggen dan  totalitaire samenlevingen op loer, al zien we dat laatste een halve eeuw later natuurlijk wat minder zwaar.

  Is deze emotionalisering van het publieke domein nieuw? Nee, zeker niet. Het dispuut over Machiavelli en diens vermeende kille, cynische machts- en staatsraison is al enkele eeuwen oud en het is daarbij steeds gegaan om de vraag of er in het maatschappelijke domein, in het openbare handelen, ook niet ruimte zou moeten zijn dan wel feitelijk was voor oprechte gevoelens. (4) Voor Rousseau gold al dat medelijden het centrale gevoel was wat alle menselijk handelen, particulier en openbaar, uiteindelijk bestemde. En als zijn daadkrachtiger landgenoot Robespierre zich afzette tegen wat hij noemde  de ,,onverschillige tirannentrawant” Machiavelli dan was het ook omdat bij hem, Robespierre, de zuiverheid van medelijdende gevoelens centraal stond in tegenstelling tot het machtsdenken van Machiavelli. Aangenomen en gevreesd mag worden dat de doorsnee burger het ook vandaag de dag hartstochtelijk eens is met dit oordeel van Robespierre….

  Nieuw is wel de kracht waarmee de geluidsversterkers, genaamd de media, opflikkerende emoties aanblazen tot uitslaande branden en hoe zij vervolgens besmuikt en zoveel mogelijk onopgemerkt weer van de nasmeulende puinhopen wegsluipen, aan het zicht onttrokken door het rumoer wat een brandje elders weer teweeg brengt.  Soms blijven beschadigde, getekende mensen achter, die jaren later nog eens in de serie “Weet je nog wel” hun verhaal komen doen. In Publieke Tranen beschrijft Henri Beunders overtuigend hoe zelfs in dit eertijds nuchtere Holland openbare terughoudendheid heeft plaatsgemaakt voor een mediale emotiecultuur, hoe het volk de media heeft veroverd in de jaren negentig (5). Er is inmiddels een hele reeks vermakelijke en trieste hypes te noemen op basis van deze nieuwe grondstroom, waarbij niet eens zozeer het aantal als wel het gemak waarmee hier slachtoffers worden gemaakt, verontrustend is.

  De media zelf spelen hier een weifelende rol. Allereerst zijn er natuurlijk die media die onverbloemd vallen onder de entertainment-industrie. Zij drijven op de stroom van deze emo-cultuur en op de vervaging van private en publieke terreinen. Zij weifelen ook niet, maar maken datgene wat wordt gevraagd en wordt verkocht. De overige media zijn maar moeilijk allemaal onder één noemer te vangen – zelfs Willebrord Frequin noemt zich journalist, nietwaar. Maar het is duidelijk dat er een glijdende schaal is van journalistieke produkten die zich volledig storten op de lach en de traan van de emo-cultuur tot aan media die een andere taak voor zich zien weggelegd, althans eigenlijk zien weggelegd.

Bij diverse kwaliteitsmedia is de relatie tot de emotionalisering van de publieke cultuur een voortdurende worsteling. Soms proberen programmamakers of kranten deze benadering onder te brengen in specials of speciale bijvoegsels, niet zelden lopen de dingen gewild of ongewild, bewust of onbewust, door elkaar heen. Redacties van kranten en programma’s leven nu eenmaal ook niet op de maan, voor een deel reflecteren ze de werkelijkheid, voor een deel proberen zij er hun stempel op te drukken – Spiegelung und Prägung zoals de oosterburen dat noemen.

 Zeker en maar al te begrijpelijk is dat de publieke rol-opvatting in een geemotionaliseerde samenleving ook binnen de kwaliteitsmedia tot de nodige verwarring leidt, tot vreemde uitschieters soms, die duidelijk maken dat het kompas weleens wild rondtolt, want waarom zouden redactiegemeenschappen zijn gevrijwaard van deze emotionalisering van de publieke cultuur?  Verwarring over smaak en stijl, over profiel, over taakopvatting maken het natuurlijk bijzonder moeilijk om een treffend stempel te drukken. Van democratisch plichtsbesef, publieke dienstbaarheid, ouderwetse zorgvuldigheid en human interest naar  leedvermaak, ronkend populisme en lekker afzeiken is dan een kleine stap.

Is dat alles onvermijdelijk? De prijs van de emancipatie? Het is niet te hopen. Misschien dat de jaren negentig een dolgedraaide uitzondering vormen, waarin in de woorden van Henk Hofland  “nieuws entertainment werd en entertainment het belangrijkste nieuws” om uitdrukking te geven aan wat hij noemde ,,een van de lawaaiigste , platste, vraatzuchtigste en onbenulligste tijdvakken uit de westerse geschiedenis”.

 Misschien waren we om de andere grand old man van de klassieke column, J. L. Heldring, te citeren, getuige van ,,nihilisme met een menselijk gezicht”.

Nog beter ware het wanneer het besef van scheidslijnen tussen publiek en privaat, tussen gezaghebbende journalistiek en emo-handel onderwerp van bewustere bezinning zou zijn, onder programmamakers en journalisten, onder kijkers, luisteraars en lezers.  Een paar bakens van degelijkheid kunnen in een vrij toegankelijke zee van plat moralisme en slordige emoties een samenleving al een hele dienst bewijzen.   

1         H . Achterhuis, De Politiek van de Goede bedoelingen, Amsterdam 1999

       2.  F.Ankersmit, Easthetic Politics, Stanford 1996

3. H. Ahrendt, Vita Activa, aangehaald in Achterhuis, O.c., p.75 e.v.

4. F. van Dooren, inleiding tot Niccolo Machiavelli, Amsterdam 200, p.39 e.v.

5. H. Beunders, Publieke tranen, Amsterdam 2002

 
 

 

Eind januari 2002 is mijn nieuwste boek Publieke tranen, de drijfveren van de emotiecultuur uitgekomen. Op deze pagina's kunt u hier zeer veel informatie vinden.

U vindt hier:
 
- De hoofdstukken indeling
 
- Het eerste hoofdstuk
 
- Presentatierede

 


webmaster

Best viewed with Internet Explorer 5.0 or higher